![]() |
||||||||||||
|
||||||||||||
|
|
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om op gemeentelijk niveau de hulp en zorg aan jeugdigen en gezinnen te verbeteren en in verband daarmee in een nieuw hoofdstuk in de Wet op de jeugdzorg op te nemen dat gemeenten Centra voor Jeugd en Gezin organiseren en de regierol krijgen op samenwerking in de jeugdketen;
ARTIKEL I
De Wet op de jeugdzorg wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.
2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
a. Onderdeel w vervalt.
b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel aa door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
ab. coördinatie van de zorg: de afstemming van de zorg en ondersteuning die vanuit verschillende instanties aan een jeugdige en diens gezin wordt geboden.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het begrip jeugdige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op hoofdstuk IA.
B
Na artikel 1 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK IA. CENTRA VOOR JEUGD EN GEZIN
Artikel 1a
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een jeugdige: een persoon tot 23 jaar.
Artikel 1b
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de organisatie van een Centrum voor Jeugd en Gezin binnen de gemeente.
2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde taak draagt het college van burgemeester en wethouders er in ieder geval zorg voor dat:
a. via een of meerdere goed bereikbare en herkenbare locaties de jeugdgezondheidszorg, bedoeld in artikel 5 van de Wet publieke gezondheid, en de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 2˚, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, in onderlinge samenhang worden aangeboden;
b. de uitvoering van de onder a bedoelde zorg en ondersteuning wordt afgestemd met de stichting en met het onderwijs.
Artikel 1c
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de instanties die de zorg en ondersteuning, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, verlenen, alsmede de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instanties die behoren tot de domeinen gezondheidszorg, jeugdzorg, onderwijs, werk en inkomen of politie en justitie, op effectieve wijze met elkaar samenwerken.
2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde taak maakt het college van burgemeester en wethouders schriftelijk afspraken met alle instanties als bedoeld in het eerste lid, zonodig op regionaal niveau. De instanties werken mee aan de totstandkoming van de afspraken, het beheer en de nakoming daarvan.
3. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de taakverdeling tussen de instanties, de deelname aan casusoverleggen, de coördinatie van de zorg en het oplossen van mogelijke knelpunten in de coördinatie van de zorg door middel van een escalatiemodel.
4. Indien zorg wordt verleend als bedoeld in artikel 5, tweede lid, is de stichting verantwoordelijk voor de coördinatie van de zorg, nadat het in artikel 6 bedoelde besluit is genomen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan de afspraken, bedoeld in het tweede lid, moeten voldoen.
Artikel 1d
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister voor Jeugd en Gezin de gegevens die hij met betrekking tot dit hoofdstuk nodig heeft.
Artikel 1e
1. Indien met behulp van het overeengekomen escalatiemodel geen overeenstemming wordt bereikt over de coördinatie van de zorg en de cliënt dringend zorg behoeft, wijst de burgemeester de instantie aan die met de coördinatie van de zorg wordt belast. Een mondeling gegeven aanwijzing wordt binnen 24 uur schriftelijk bevestigd.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan worden gegeven aan de stichting, een instantie die jeugdgezondheidszorg uitvoert als bedoeld in artikel 5 van de Wet publieke gezondheid of een instantie die maatschappelijke ondersteuning biedt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, 2˚, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geldt als een besluit.
Ba
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Een cliënt, behoudens een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, heeft aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet, voor zover de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de cliënt is aangewezen op een bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven vorm van jeugdzorg. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat.
2. In het derde lid wordt “artikel 77wa, tweede lid” vervangen door: artikel 77wa, eerste lid.
3. In het vierde lid vervalt de laatste volzin.
C
Artikel 6 komt te luiden:
Artikel 6
1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in elk geval:
a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;
b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;
c. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;
d. een advies wie de zorg kan verlenen.
2. Indien in een besluit dat strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op jeugdzorg in de zin van artikel 5, tweede lid, onder a, bepalingen over de duur en de omvang van de geïndiceerde jeugdzorg worden opgenomen, hebben deze bepalingen geen gevolgen voor de aanspraak op jeugdzorg.
3. Indien een besluit strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, wordt daarin opgenomen de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen.
4. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan.
Ca
Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 6a
1. De aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, vervalt, indien:
a. de cliënt de aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, tot gelding heeft gebracht,
b. de zorgaanbieder en de cliënt tezamen schriftelijk aan de stichting hebben medegedeeld dat de met de zorg beoogde doelen zijn bereikt, of
c. de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat de cliënt niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg.
2. In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, uitsluitend indien de stichting instemt met een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder b, of een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, onder c, voor zover het gaat om een aanspraak die wordt verleend:
a. in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
b. indien de stichting de voogdij op grond van artikel 302, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de voorlopige voogdij op grond van artikel 241, tweede lid, 271, vierde lid, of 272, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefent.
3. In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, zodra de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 77wa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voltooid, tenzij de zorgaanbieder en de cliënt gezamenlijk van oordeel zijn dat de zorg dient te worden voortgezet.
D
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor het eerste lid vervalt de aanduiding “1”.
2. Het tweede lid vervalt.
E
In artikel 24, derde lid, vervalt de laatste volzin.
Ea
Artikel 29h, derde lid, komt te luiden:
3. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar.
Eb
In artikel 36, tweede lid, wordt “uitkeringen” telkens vervangen door “uitkering”, en wordt “zijn besteed” vervangen door: is besteed.
Ec
Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt na “jaarlijks” ingevoegd: een uitkering ten behoeve van.
b. In de onderdelen a en b, vervalt telkens “een uitkering ten behoeve van” en: ten behoeve van.
2. In het tweede lid wordt “de uitkering, bedoeld in het eerste lid onder b” vervangen door: de uitkering ten behoeve van het eerste lid, onder b.
Ed
Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt “Deze regels kunnen” vervangen door: Deze regels kunnen in elk geval.
b. De term “uitkeringen” wordt telkens vervangen door: uitkering.
c. Onderdeel c komt te luiden:
c. de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verleend;.
2. In het tweede lid wordt “Deze regels kunnen” vervangen door: Deze regels kunnen in elk geval.
F
In artikel 47, eerste lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede: artikel 70 en.
G
Na artikel 47 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 47a
1. Met het toezicht op de nakoming van de afspraken, bedoeld in artikel 1c, tweede lid, tweede volzin, zijn belast de ambtenaren van:
a. de Inspectie jeugdzorg,
b. het Staatstoezicht op de Volksgezondheid,
c. de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid,
d. de Inspectie van het Onderwijs,
ieder voor zover het hun domein betreft.
2. De inspecties, bedoeld in het eerste lid, alsmede de Inspectie Werk en Inkomen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, maken met het oog op een efficiënt en effectief toezicht afspraken over de afstemming van hun toezichthoudende werkzaamheden.
3. Onze Minister voor Jeugd en Gezin kan in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat aanwijzingen geven aan de ambtenaren van de inspecties, bedoeld in het eerste lid.
4. De inspecties, bedoeld in het tweede lid, verrichten onderzoek uit eigen beweging, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister voor Jeugd en Gezin. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in als een instantie als bedoeld in artikel 1c, eerste lid, het college hierom verzoekt.
5. De inspecties, bedoeld in het tweede lid, brengen verslag van hun bevindingen uit aan de verzoeker of verzoekers, bedoeld in het vierde lid, en aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kunnen daarbij voorstellen doen tot verbetering.
H
Artikel 70 vervalt.
I
Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt, vervallen in artikel 71, eerste lid, de onderdelen d en e.
J
In artikel 73 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding “1” voor de tekst.
K
Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en vierde lid vervallen.
2. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.
L
Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanduiding “1.” voor het eerste lid vervalt.
b. De zinsnede “bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan” wordt vervangen door: bedoeld in artikel 37, eerste lid, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan:.
c. De zinsnede die begint met “het bureau jeugdzorg ten behoeve van” wordt aangeduid als onderdeel a en op een nieuwe regel geplaatst.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanduiding “2.” wordt vervangen door de aanduiding b.
b. In de tekst vervalt “Onze Ministers kunnen tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder b, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan”.
L
Na artikel 108 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 108a
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een doelmatigere uitvoering van de jeugdzorg, waarbij een betere toegankelijkheid en afstemming van de zorg voorop staat, regels worden gesteld voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, anders dan bedoeld in artikel 1, eerste lid, waarbij taken op het gebied van de jeugdzorg in plaats van door de provincie en de stichting door de gemeente, eventueel op andere wijze, worden uitgevoerd.
2. De experimenten, bedoeld in het eerste lid, kunnen in verschillende provincies op verschillende wijze worden uitgevoerd.
3. Ten behoeve van de experimenten, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van:
1◦ artikel 3, tweede, derde, zesde en zevende lid,
2◦ hoofdstuk IA,
3◦ hoofdstuk III, paragraaf 2, met uitzondering van artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, en het tweede lid, en paragraaf 3, artikel 17,
4◦ hoofdstuk V, paragraaf 1, artikel 33, en paragraaf 2,
5◦ hoofdstuk VI,
6◦ hoofdstuk VIII,
7◦ hoofdstuk IX,
8◦ de krachtens dat artikel en die paragrafen en hoofdstukken gestelde regels.
4. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval bepaald van welke bepalingen wordt afgeweken, onder welke voorwaarden dit kan en welk resultaat met het experiment wordt beoogd.
5. Onze Ministers zenden uiterlijk drie maanden voor de beëindiging van een experiment als bedoeld in het eerste lid, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele voorziening is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar.
7. Onze Ministers kunnen op bij ministeriële regeling te bepalen wijze ten behoeve van de experimenten, bedoeld in het eerste lid, subsidies verstrekken.
M
Na artikel 108a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 108b
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder “traject JeugdzorgPlus”: keten van in eerste instantie gesloten jeugdzorg en vervolgens andere vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, alsmede andere vormen van hulp en begeleiding, onder regie en verantwoordelijkheid van een zorgaanbieder die een accommodatie exploiteert, met als doel dat de jeugdige zich door middel van continuïteit van zorg en een minimum aan overdrachtsmomenten ontwikkelt naar een aanvaardbaar en stabiel niveau van zelfstandig maatschappelijk functioneren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, anders dan bedoeld in artikel 1, eerste lid, waarbij:
a. zorgaanbieders die een accommodatie exploiteren trajecten JeugdzorgPlus aanbieden aan jeugdigen voor wie een machtiging dan wel een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c is verstrekt, en
b. het Rijk op door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij ministeriële regeling te bepalen wijze zorg draagt voor de bekostiging van de trajecten JeugdzorgPlus.
3. Ten behoeve van de experimenten, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgeweken van:
1° artikel 3, tweede, zesde en zevende lid,
2° artikel 5, derde lid,
3° artikel 6, tweede lid,
4° artikel 7, eerste lid,
5° artikel 10, eerste lid, onder f, g, en i,
6° artikel 13, achtste lid,
7° artikel 19,
8° artikel 24, derde lid,
7° artikel VII, zevende lid, van de wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg).
4. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval bepaald van welke bepalingen wordt afgeweken, onder welke voorwaarden dit kan en welk resultaat met het experiment wordt beoogd.
5. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van die maatregel, anders dan als experiment.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het tweede lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele voorziening is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar.
ARTIKEL IA
Artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht komt te luiden:
Artikel 77wa
1. De rechter kan bepalen dat het in artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg.
2. Indien de rechter toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, doet de raad daarvan onverwijld mededeling aan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
ARTIKEL II
Indien het bij Koninklijke boodschap van 6 februari 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de introductie van een verwijsindex om vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van jeugdigen die bepaalde risico’s lopen te bevorderen (verwijsindex risico’s jeugdigen) (31 855) tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan het onderhavige voorstel, wordt artikel I van het onderhavige voorstel van wet als volgt gewijzigd:
A
Onderdeel A komt te luiden:
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. Het onderdeel “eigen bijdrage” vervalt.
b. Er wordt op alfabetische volgorde een onderdeel ingevoegd, luidende:
coördinatie van de zorg: de afstemming van de zorg en ondersteuning die vanuit verschillende personen en instanties aan een jeugdige en diens gezin wordt geboden;.
2. In het tweede lid wordt “de hoofdstukken IA en IVA” vervangen door: de hoofdstukken IA, IB en IVA.
B
Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 1c, derde lid, komt te luiden:
3. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de taakverdeling tussen de instanties, het gebruik van de verwijsindex risicojongeren, de deelname aan casusoverleggen, de coördinatie van de zorg en het oplossen van mogelijke knelpunten in de coördinatie van de zorg door middel van een escalatiemodel.
ARTIKEL III
Indien het bij Koninklijke boodschap van 6 februari 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de introductie van een verwijsindex om vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van risicojongeren die bepaalde risico’s lopen te bevorderen (verwijsindex risicojongeren) (31 855) tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan het onderhavige voorstel, wordt de Wet op de jeugdzorg als volgt gewijzigd:
A
De titel van Hoofdstuk 1A. Landelijke verwijsindex wordt vervangen door: Hoofdstuk IB. Landelijke verwijsindex.
B
Artikel 2g komt te luiden:
Artikel 2g
1. Het college van burgemeester en wethouders bevordert het gebruik van de verwijsindex en organiseert de aansluiting op de verwijsindex.
2. De afspraken, bedoeld in artikel 1c, derde lid, worden voor zover het betreft de verwijsindex risicojongeren vastgelegd in een convenant.
3. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen regels worden gesteld omtrent het beheer en de nakoming van de afspraken die zijn gemaakt over de verwijsindex en kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere afspraken over de verwijsindex. Voor zover dat uit hoofde van hun functie of taak noodzakelijk is, kan in de afspraken onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aangewezen categorieën van meldingsbevoegden.
4. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik van, de aansluiting en de organisatie van de aansluiting op de verwijsindex. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen daarbij aangewezen categorieën van gemeenten en van meldingsbevoegden.
ARTIKEL IV
Indien het onderhavige voorstel tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan het bij Koninklijke boodschap van 6 februari 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de introductie van een verwijsindex om vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van risicojongeren die bepaalde risico’s lopen te bevorderen (verwijsindex risicojongeren) (31 855), wordt het bij Koninklijke boodschap van 6 februari 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel A, komt te luiden:
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt in de aanhef: in Nederland verblijvende.
2. De letteraanduidingen van de onderdelen van het eerste lid vervallen en de onderdelen worden in alfabetische volgorde geplaatst.
3. Het tweede lid komt te luiden:
2. Het begrip jeugdige, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de hoofdstukken IA, IB en IVA.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Deze wet is van toepassing op in Nederland verblijvende jeugdigen.
B
In artikel I, wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
Artikel 1c, derde lid, komt te luiden:
3. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de taakverdeling tussen de instanties, het gebruik van de verwijsindex risicojongeren, de deelname aan casusoverleggen, de coördinatie van de zorg en het oplossen van mogelijke knelpunten in de coördinatie van de zorg door middel van een escalatiemodel.
C
In artikel I, onderdeel B, wordt de titel van Hoofdstuk IA. Landelijke verwijsindex vervangen door: Hoofdstuk IB. Landelijke verwijsindex.
D
Het in artikel I, onderdeel B, opgenomen artikel 2g, komt te luiden:
Artikel 2g
1. Het college van burgemeester en wethouders bevordert het gebruik van de verwijsindex en organiseert de aansluiting op de verwijsindex.
2. De afspraken, bedoeld in artikel 1c, derde lid, worden voor zover het betreft de verwijsindex risicojongeren vastgelegd in een convenant.
3. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen regels worden gesteld omtrent het beheer en de nakoming van de afspraken die zijn gemaakt over de verwijsindex en kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere afspraken over de verwijsindex. Voor zover dat uit hoofde van hun functie of taak noodzakelijk is, kan in de afspraken onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aangewezen categorieën van meldingsbevoegden.
4. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik van, de aansluiting en de organisatie van de aansluiting op de verwijsindex. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen daarbij aangewezen categorieën van gemeenten en van meldingsbevoegden.
ARTIKEL V
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel I, onderdelen E en G, kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister voor Jeugd en Gezin, Ga terug |
|||||||||||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||||||||||