Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Uitspraak Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 18 november 2010

Nuttig om te weten >>

 

 

 

 

 

 

 

3.     HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

 

 

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- het volgende:

 

 

1.     dat hij zich ten onrechte heeft beroepen op zijn beroepsgeheim waardoor klager niet geïnformeerd is over het advies dat verweerder heeft gegeven aan de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming;

 

 

2.     dat hij een leugenachtige verklaring heeft afgegeven aan de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming;

 

 

3.     dat hij klager niet heeft geïnformeerd over en om toestemming heeft gevraagd voor de sterilisatie van zijn dochter.

 

 

 

 

 

 

 

 

4.     HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

 

 

 

 

 

Verweerder erkent dat hij zich ten onrechte op zijn beroepsgeheim heeft beroepen. Het advies dat hij heeft uitgebracht ten aanzien van klagers dochter had niet alleen met de moeder, maar ook met klager besproken moeten worden. Verweerder is van mening dat hij geen leugenachtige verklaring heeft afgegeven aan de Raad voor de Kinderbescherming. Een psychiatrische stoornis achtte hij zowel bij klager als bij E’s moeder niet aanwezig, zodat een nader onderzoek niet noodzakelijk was. Verweerder erkent dat hij klager had moeten informeren ten aanzien van de sterilisatie van zijn dochter. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij klager hiervoor toestemming had moeten vragen.

 

 

  

 

 

5.     DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

 

 

5.1               

 

 

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

 

 

 

 

5.2

 

 

Verweerder heeft ten aanzien van het eerste klachtonderdeel erkend dat hij zich ten onrechte op zijn beroepsgeheim heeft beroepen. De vraag betrof de informatie die door verweerder met betrekking tot dochter van klager was verstrekt. Vader heeft als met het gezag over zijn dochter belaste vader recht op deze informatie. Derhalve is dit klachtonderdeel gegrond. Ter zitting heeft verweerder overigens nog toegelicht dat hij zich heeft onthouden van het geven van advies aan de Raad met betrekking tot de vraag of E al dan niet door de kinderrechter gehoord kon worden, omdat hij geen psycholoog is en hij op dit terrein niet deskundig is.

 

 

 

 

 

5.3

 

 

Klager heeft verweerder verweten dat hij een onjuiste verklaring tegenover de Raad voor de Kinderbescherming heeft afgelegd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij de verklaring die door de Raad uit zijn mond is opgetekend, in concept heeft gezien en dat hij voor de juistheid van die verklaring heeft getekend. Daarmee staat vast dat verweerder de inhoud van de verklaring, zoals hiervoor weegegeven, voor zijn rekening neemt.

 

 

Het college is van oordeel dat de informatie die verweerder heeft gegeven, niet in overeenstemming is met de informatie die verder beschikbaar is. De opmerking van verweerder dat er geen psychiatrische problemen bij de ouders zijn waarvoor diagnose noodzakelijk is, doet geen recht aan de feitelijke situatie nu ter zitting naar voren is gekomen dat de moeder van E in 2006 voor behandeling naar de psychiater is verwezen en zij gedurende meerdere jaren begeleiding heeft gehad van een psychiatrisch verpleegkundige. De uitlating suggereert dat er op dit vlak niets aan de hand is en dat verder onderzoek hiernaar door de Raad niet aangewezen is.

 

 

Voorts bevindt zich onder de stukken die zich in het dossier bevinden, een deel van de patiëntenkaart van E. Dat deel bestrijkt de periode van 13 januari 2009 tot 3 september 2009. Daarin wordt door de vader gewag gemaakt van blauwe plekken bij E waarbij hij aangeeft zich zorgen te maken over de opvoedingssituatie van E (hij vraagt zich af of er sprake is van geestelijke danwel lichamelijke mishandeling in de opvoedingssituatie van moeder) en tevens meldt hij dat er naar zijn informatie sprake is van drankmisbruik bij moeder en dat zij enkele malen met de politie in aanraking is geweest. Tevens staat in de kaart genoteerd dat moeder de politie heeft ingeschakeld omdat klager E niet terug heeft gebracht. Het college is van oordeel dat klager in zoverre kan worden gevolgd dat de afgelegde verklaring van verweerder tegenover de Raad voor de kinderbescherming, onvoldoende recht doet aan de zorgen die over E zijn uitgesproken en die in haar patiëntenkaart zijn genoteerd. In het licht daarvan kan de verklaring van verweerder de toets der kritiek niet doorstaan. Het college kan daarbij uiteraard geen feitelijke uitspraak doen over de juistheid van hetgeen op de kaart is opgenomen, daarvoor was nu juist het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming bedoeld.

 

 

Ter zitting is het college overigens gebleken dat er afgelopen jaar een ondertoezichtstelling met betrekking tot E is uitgesproken, hetgeen impliceert dat er weldegelijk sprake was van zorg rondom de opvoedingssituatie van E.

 

 

Het college acht op grond van het vorenstaande ook dit klachtonderdeel gegrond.

 

 

 

 

 

5.4

 

 

Verweerder heeft E, op verzoek van haar moeder, doorverwezen naar een gynaecoloog voor sterilisatie. Vast staat dat klager voor deze doorverwijzing geen toestemming had gegeven en dat dit ook niet met hem is overlegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de moeder van E bij hem op het spreekuur is geweest om te vragen of E gesteriliseerd kon worden omdat zij inmiddels drie keer ongesteld was geweest en makkelijk te beïnvloeden is, terwijl zij niet in staat mag worden geacht zelf een kind op te voeden.

 

 

Het college is van oordeel dat verweerder zich, bij dergelijke vergaande en niet medisch noodzakelijke en in beginsel irreversibele ingreep bij een kind van dertien jaar, er expliciet van had moeten vergewissen dat ook klager zijn toestemming voor een dergelijke ingreep had gegeven. Bij ingrepen van dergelijke aard mag toestemming van de andere met gezag belaste ouder niet verondersteld worden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij inziet dat hij op dit punt niet juist heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens gegrond.

 

 

 

 

 

Het voorgaande brengt mee dat de klacht in alle drie de onderdelen gegrond is. Het college is van mening dat het opleggen van een maatregel geïndiceerd is en acht de maatregel van waarschuwing passend.

 

 

 

 

 

 

 



 

 

6.     DE BESLISSING

 

 

 

 

 

Het college waarschuwt verweerder.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aldus gedaan in raadkamer door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. E.W.M. Meulemans, lid-jurist, G.W.A. Diehl, A.M. Rijken, en M.D. Klein Leugemors, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Bart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op

 

 

18 november 2010 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

 

 


Ga terug