![]() |
||||
|
||||
|
|
Hoewel de maatregel van ondertoezichtstelling, met name ook als gevolg van de bevoegdheid van de gezinsvoogdij-instelling tot het geven van bindende aanwijzingen betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:258 lid 1 en 2), leidt tot een beperking van het gezag van de met het gezag belaste ouder, heeft de maatregel niet tot gevolg dat het gezag geheel of gedeeltelijk door de gezinsvoogdij-instelling wordt overgenomen. Het gezag van de ouder wordt onder toezicht van en met hulp en steun door de gezinsvoogdij-instelling uitgeoefend, en in zoverre beperkt, maar niet, ook niet gedeeltelijk, van de met het gezag belaste ouder overgedragen naar de gezinsvoogdij-instelling. De maatregel is daarop ook niet gericht, maar juist, althans waar het de hulp en steun van de gezinsvoogdij-instelling betreft, op het zoveel mogelijk doen behouden van de verantwoordelijkheid van de met het gezag belaste ouder voor de verzorging en opvoeding (art. 1:257 lid 2). Ik citeer J.E. Doek (Personen- en familierecht, losbl., Art. 258, aant. 1):
"Het eerste en tweede lid van art. 258 maken duidelijk dat de ondertoezichtstelling een maatregel is die tot beperking van het ouderlijk gezag kan leiden, ook tegen de wens van de ouders. Maar dit betekent niet dat de GVI over de minderjarige wettig gezag in de zin van ouderlijk gezag of voogdij uitoefent. Er is 'slechts' sprake van 'toezicht'."
Deze opvatting vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255, tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (wetsvoorstel 23 003). In de MvT (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, blz. 35/36) wordt in de toelichting op art. 1:258 opgemerkt:
"Evenmin omvat de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing de bevoegdheid tegenover een derde het ouderlijk gezag uit te oefenen; zij behelst slechts de bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot een doen of nalaten. (...). Dat de gezinsvoogdij-instelling aanwijzingen aan de minderjarige kan geven doet echter geen afbreuk aan de structuur van de maatregel die het ouderlijk gezag in stand laat tenzij dit beperkt wordt door een tot de ouders gerichte aanwijzing."
Zie ook de MvA (Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 5, blz. 10), waar de Staatssecretaris van Justitie naar aanleiding van vragen in het VV over de aard van het aan de gezinsvoogdij-instelling toebedeelde gezag opmerkt, dat naar zijn mening de wet "aan de gezinsvoogdij-instelling publiekrechtelijke bevoegdheden verschaft, veeleer dan dat sprake is van het overdragen van ouderlijk gezag aan de instelling."
Uit bovenstaand citaat blijkt verder (zie roodgemarkeerde zinsnede) zelfs dat ook het gezagsbeperkende karakter van een OTS eerst pas daadwerkelijk in werking treedt in geval van een tot de ouder(s) gerichte (mondelinge of schriftelijke) aanwijzing door Bureau Jeugdzorg. Voor die tijd is zelfs het gezagsbeperkende karakter van een OTS questieus. Ga terug |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||