Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Minister Rouvoet weet niet hoe de verschillen in aantallen uithuisplaatsingen te verklaren zijn

Nuttig om te weten >>
 
 
> Retouradres Postbus 16166 2500 BD Den Haag
 
De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
 
 
 
 
 
 
Datum 7 december 2009
Betreft Kamervragen
 
 
 
Geachte voorzitter,
 
 
Hoogachtend,
de Minister voor Jeugd en Gezin,




mr. A. Rouvoet
 
 
 

Antwoorden op kamervragen van het Kamerlid Langkamp over de kans op uithuisplaatsing bij een ondertoezichtstelling.
(2009Z19134)
 
 
1.
Wat is uw reactie op het E-mailbericht van de heer A.H.B. 1) waaruit blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen de provincies en/of de stadsregio’s in de kans op uithuisplaatsing bij een ondertoezichtstelling?
 
2.
Hoe verklaart u het feit dat de groei van het aantal kinderbeschermingsmaatregelen lijkt af te vlakken, terwijl de kans op uithuisplaatsing bij een ondertoezichtstelling in sommige provincies en stadsregio’s juist is toegenomen?
 
3.
Hoe verklaart u het feit dat er grote verschillen bestaan tussen provincies of er bij een ondertoezichtstelling ook een machtiging uithuisplaatsing wordt uitgesproken? Bent U bereid de oorzaken hiervan te onderzoeken?
 
4.
Hoe komt het dat in de provincie Noord-Holland de kans bijna 80% is dat er over een kind ook een machtiging uithuisplaatsing wordt uitgesproken als er een ondertoezichtstelling is?
 
5.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre instellingscultuur, wachtlijsten en werkdruk bij jeugdhulpverleners, Raad voor de Kinderbescherming, kinderrechters en gezinsvoogden een rol spelen bij het percentage uithuisplaatsingen bij een ondertoezichtstelling? Zo nee, waarom niet?
 
 
1 t/m 5.
Ik heb kennis genomen van de grote verschillen die er bestaan in het aantal ondertoezichtstellingen (OTS) en de uithuisplaatsingen (UHP) tussen de provincies en de stadregio’s. Ook ik kan niet direct een afdoende verklaring geven voor deze grote verschillen. Zoals ik u al heb aangegeven in mijn brief van 2 november jl. (JZ/GJ-2942001) waarin ik reageer op de vragen op het plan van aanpak van de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg, zal ik daarom onderzoek laten uitvoeren naar de oorzaak van de stijgingen van de aantallen OTS en UHP. In dit onderzoek zal ook nagegaan worden wat mogelijke verklaringen zijn voor de verschillen tussen provincies en stadsregio’s. Zodra dit onderzoek gereed is, zal ik u informeren over de resultaten. Ik verwacht dat de resultaten van dit onderzoek medio 2010 bekend zijn.

Ga terug