Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Kinderbeschermingsmaatregelen

Nuttig om te weten >>
De maatregelen van kinderbescherming

Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders is een ouderorganisatie voor ouders en grootouders. Voor KOG staat het welzijn en de veiligheid van kinderen voorop. KOG wil (groot)ouders informatie geven en ondersteunen in hun zorg voor hun (klein)kinderen als zij in conflict raken met de jeugdzorg.
Een verschil van mening met jeugdzorg over wat een kind nodig heeft of onvrede over slechte zorg leidt namelijk makkelijk tot een conflict. Een geweigerd hulpaanbod of afgebroken hulp kan leiden tot gedwongen “hulp”: een kinderbeschermingsmaatregel
Van de kinderen met een maatregel wordt de helft bij hun ouders weggehaald.

KOG houdt zich niet bezig met jeugdstrafrecht of vrijwillige jeugdzorg. Voor zover KOG zich toch bezig houdt met vrijwillige jeugdzorg, is dat om te waarschuwen tegen de hierboven genoemde overgang naar een kinderbeschermingsmaatregel (en aan te raden een verzekeringsmodule af te sluiten).

Het hoort niet tot de doelstellingen van KOG om ouders die hun kind misbruiken, mishandelen e.d., te steunen in hun acties om die situatie te laten voortduren en hun kind hulp te onthouden.

De kinderbeschermingsmaatregelen zijn te vinden in het Burgerlijk Wetboek boek 1:
ondertoezichtstelling (artt. 254-260), uithuisplaatsing (261-265), ontheffing en ontzetting uit het ouderlijk gezag (266-278).
De uitwerking van deze maatregelen is ondergebracht in de Wet op de jeugdzorg.
Van belang is het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, met name artikel 43-45
(paragraaf 6: het uitvoeren van de ondertoezichtstelling).

Een instantie, meestal een bureau jeugdzorg, wendt zich tot de raad voor de kinderbescherming met het verzoek de kinderrechter te vragen om een maatregel van kinderbescherming. Als de kinderrechter de maatregel heeft opgelegd, komt de klant meestal terug bij het bureau jeugdzorg, want de rechter draagt de uitvoering van de maatregel meestal op aan een bureau jeugdzorg (provinciaal of grootstedelijk: Amsterdam, Rotterdam, Haaglanden) of soms aan een van de vier landelijk werkende instellingen: William Schrikker stichting (verstandelijk gehandicapte ouders/kinderen), Leger des Heils, St. Gereformeerd Jeugdwelzijn, Joods maatschappelijk werk.
Een bureau jeugdzorg (voor het gemak) wijst een van de medewerkers aan als contactpersoon: de gezinsvoogd. Deze is meestal opgeleid als maatschappelijk werker, vaak HBO sociaal-pedagogische dienstverlening: voor het beroep gezinsvoogd bestaat geen opleiding!!
De kwaliteit van deze medewerkers is zeer divers, bovendien kan op veel bureaus jeugdzorg een gezinsvoogd in zijn eentje werken zonder zelfs maar intervisie, vaak ook zonder zich aan enig protocol te houden.

Zie www.stichtingkog.info
‘Verzonden en ontvangen’, submap ’ verwerkt vanaf 2005’, nummers 6 en 6a
(informatie verzonden aan de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling op
23 september 2004 en 12 maart 2005).

Het is goed zich te realiseren, dat kinderrechters zich soms niet gedragen als rechter, daarmee bedoelen wij dat zij het materiaal dat de eisende partij inbrengt niet toetsen. Er is kennelijk een zeer groot vertrouwen. Bijvoorbeeld een intern begeleider op een school belt een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (onderdeel van bureau jeugdzorg). Het AMK wendt zich tot de raad voor de kinderbescherming. De raad voor de kinderbescherming zendt een verzoekschrift voor een kinderbeschermingsmaatregel naar de kinderrechter.
Sommige kinderrechters leggen min of meer klakkeloos een maatregel op. Het verzoek is immers al door zoveel zeven gegaan?! Interessant is echter, dat noch het AMK, noch de raad voor de kinderbescherming aan waarheidsvinding doet. Maar deze instanties worden geacht de feiten te leveren waar een rechter zich op baseert.

Voor de zitting

Tijdens de zitting bij de kinderrechter krijgen ouders soms het gevoel dat de rechter of de raad voor de kinderbescherming of zelfs de andere partij stukken heeft gelezen die u niet kent. Daarom kan het nuttig zijn uw dossier (van de raad voor de kinderbescherming, gezinsvoogdijinstelling, bureau jeugdzorg, externe deskundige en wat er misschien in uw geval verder nog is) te kopiëren en deze kopieën allemaal bij u te hebben. Aarzel niet te vragen waar een bepaalde uitspraak vandaan komt. Laat uw advocaat daarna eventueel even schorsing van de zitting vragen. U kunt dan opzoeken of u wel over dat document beschikt. De rechter mag alleen rechtspreken op grond van informatie die alle partijen hebben en inlichtingen die hem tijdens de zitting verstrekt worden. Vlak voor de zitting moet u bij elke instantie het gedeelte van het dossier opvragen dat erbij gekomen is sinds de laatste keer dat u inzage of kopie hebt gehad.

Zitting bij de kinderrechter

- Zie er keurig uit.

- Gedraag u zo kalm als u kunt, neem eventueel iets in.

- Gedraag u in alle opzichten netjes. Door zenuwen vergeten mensen soms hun normale manieren.

Houd goed in gedachten dat u op de zitting bent om met de rechter te praten.
Niet met uw ex als het een zitting over omgang is,
niet met de raad voor de kinderbescherming als het een zitting over ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing of ontheffing is,
niet met bureau jeugdzorg als het een zitting over verlenging ots of over uithuisplaatsing is. Met niemand, alleen met de rechter.
U laat u dus niet uitlokken. U gaat nergens op in. (Dus straal rust uit en ga geen strijd aan.) U kunt wel uw hoofd schudden als u van allerlei beticht wordt. Eventueel vraagt u aan de rechter of u even iets mag zeggen. Maar beter van niet. Laat zoveel mogelijk uw advocaat spreken.

Als u het niet eens bent met wat de tegenpartij zegt, spreek dat dan kort en zakelijk tegen.
Verwacht het onverwachte. Plotseling komt er misschien een vreselijke beschuldiging die u nooit had kunnen verzinnen. Maar: …
Zeg nooit dat iemand liegt. Bij sommige rechters bent u dan erger dan de leugenaar.
Zeg bijvoorbeeld: Volgens mij is dat nooit gebeurd. Of: volgens mij is dat anders. Namelijk zo en zo

Als het een zitting over omgang is, moet u proberen te voorkomen dat de rechter de raad voor de kinderbescherming een onderzoek laat doen. U hebt daar namelijk niets bij te winnen, alleen maar iets te verliezen. Er kan op zijn best uitkomen dat u een gewone ouder bent. (En op zijn slechtst dat u misschien niet te vertrouwen bent met uw kind, dat u de scheiding niet hebt verwerkt, dat u zich negatief uitlaat over de andere ouder, kortom dat er beter geen omgang kan zijn.) Dat u een gewone ouder bent kunt u ook wel zelf vertellen. Probeer de rechter duidelijk te maken dat u een gewone ouder bent, dat u dus onmisbaar bent voor uw kind. Probeer ook duidelijk te maken:
Zolang wij nog bij elkaar woonden was ik gewoon de vader van Pietje. Er is nooit politie aan te pas gekomen. Nu zijn de ouders uit elkaar en nu moet er opeens gekeken worden of er soms iets aan mij mankeert? Ik ben gewoon de vader van Pietje. Zolang wij bij elkaar woonden was ik goed genoeg om 24 uur per dag verantwoordelijk voor hem te zijn. Nu zijn de ouders uit elkaar en nu moet er onderzocht worden of ik wel goed genoeg ben om af en toe een weekendje verantwoordelijk voor hem te zijn? Dat is echt onzin.
Het is beter als uw advocaat woorden van deze strekking spreekt.

Kijkt u vooral in de map Publicaties in
‘Kinderbescherming en valkuilen deel 1’ over ondertoezichtstelling enzovoort, en in ‘Kinderbescherming en valkuilen deel 2’ over omgang.


Verband tussen omgang en kinderalimentatie

Een vader vroeg in kort geding tot veroordeling tot nakoming van de opgelegde omgangsregeling, nadat de moeder te kennen had gegeven de beslissing van het hof daarover niet te zullen respecteren. De strijd over de omgangsregeling was kennelijk uitputtend gevoerd bij de rechtbank en hof en na rapportage was de moeder in het ongelijk gesteld. De fungerend-president in Rotterdam heeft de wens van de vader om de omgangsregeling te versterken met dwangmaatregelen gehonoreerd. Hij heeft voor het geval de omgangsregeling niet zou worden uitgevoerd een dwangsom opgelegd, en – nu komt het – de verplichting tot het bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen geschorst voor iedere maand dat de omgangsregeling niet zou worden nageleefd (voetnoot: Pres. Rb. Rotterdam, 14 april 1992, KG 1992, 355). Met andere woorden: een regelrecht verband is gelegd tussen omgangsregeling en kinderalimentatie.
(zie verder map Jurisprudentie - gezag en omgang)



Waar schamen mensen zich nog voor?

Mensen schamen zich nergens meer voor, hoor je wel. Hun gokverslaving, hun sexleven, hun intiemste gevoelens, alles gooien ze eruit, liefst op tv.

Dat is misschien wel waar, maar mensen schamen zich voor minstens één ding nog wel, en dat is voor contact met de kinderbescherming. En dat is nou juist helemaal niet iets om je voor te schamen.

De bedoeling van kinderbescherming is natuurlijk kinderen te beschermen, en wel tegen hun ouders. Daardoor komt het ook dat mensen zich schamen. Maar dan lopen ze wel achter.

Want sinds tientallen jaren wordt de kinderbescherming actief ook als kinderen helemaal niet tegen hun ouders beschermd hoeven te worden. Dat gebeurt dan wel, maar in werkelijkheid moesten die kinderen soms beschermd worden tegen de kinderbeschermers. Daarmee bedoelen we niet alleen de raad voor de kinderbescherming, maar ook de bureaus jeugdzorg, Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, allerlei vormen van opvoedondersteuning die in contact staan met kinderbescherming, zorgcoördinatoren op scholen, enzovoort.

Sinds het eind van de tweede wereldoorlog is het land overspoeld door hulpverleners. De gezinsvoogden van daarvoor, die onbetaald, in hun vrije tijd, de ondersteuning van gezinnen met raad en daad op zich namen, werden vervangen door maatschappelijk werkers die dit werk voor hun broodje deden. Zij waren opgeleid om de lakens uit te delen, en velen van hen deden dat dan ook. Als de ouders niet wilden luisteren, werden de kinderen uit het gezin gehaald.

Tegenwoordig is er allerlei vrijwillige hulpverlening, die vaak inderdaad helpt. Die de klant bedient zoals dat in een goede winkel gebeurt: dit is de vraag, de verkoper zoekt iets op wat er zo goed mogelijk bij past. Maar soms stellen hulpverleners zich op als autoritaire ziekenhuizen van enkele generaties geleden: u begrijpt dat toch niet, het is aan u niet uit te leggen, maar dit en dit moet beslist gebeuren met uw kind. Wilt u dat niet? Dan zie ik mij genoodzaakt “de hulpvraag veilig te stellen”. Ik zal ervoor zorgen dat de kinderrechter mij machtigt om te (laten) doen wat u als ouder niet goed vindt. En de ouder die zelf uit bezorgdheid over zijn kind advies of hulp had gezocht, moet constateren dat het roer hem uit handen wordt geslagen, en dat anderen bepalen wat er gaat gebeuren.

Onder andere op de volgende manieren komen mensen met kinderbescherming en kinderrechter in aanraking:

+ ze hebben hun kind werkelijk verwaarloosd of zelfs mishandeld;

+ ze hebben niet verwaarloosd of mishandeld, maar iemand heeft, te goeder trouw of te kwader trouw, een melding gedaan bij een AMK, een bureau jeugdzorg of de raad voor de kinderbescherming;

+ ze hebben advies gevraagd, bijvoorbeeld omdat hun kind van 7 jaar nog in zijn broek plaste, en ze worden het niet eens met de hulpverlener over wat er moet gebeuren;

+ ze hebben hulp gezocht in een ziekenhuis omdat ze zich ongerust maken over een gezondheidsprobleem van hun kleine kind, en iemand in het ziekenhuis denkt dat ze dat probleem zelf veroorzaken;

+ ze gaan scheiden en in alle emoties houdt een van de ouders de kinderen weg bij de andere ouder die zich voor een omgangsregeling tot de rechter wendt, die op zijn beurt de raad voor de kinderbescherming inschakelt voor advies;

+ een puber hangt op school interessante verhalen op, liever dan zich te laten overhoren, over een moeilijke situatie thuis waardoor hij niet enzovoort enzovoort, een zorgcoördinator of mentor kan geen feit van aanstellerij onderscheiden en daar zijn de poppen aan het dansen;

+ een meisje van 14 loopt weg, bijvoorbeeld omdat de ouders niet toestaan dat zij in cafés rondhangt of met mensen omgaat die de ouders afkeuren, en wendt zich tot de instanties.

Wat al deze gevallen gemeenschappelijk hebben, is dat vaak beweringen zonder enig onderzoek als vaststaande feiten worden genoteerd en van instantie naar instantie doorgaan; mensen, vooral jongeren, beweringen in de mond worden gelegd.

Men krijgt vaak de indruk dat een onderzoek geen onderzoek was, maar dat de “conclusie” van te voren al vaststond.
Dat volgens de grabbeltonmethode dat wat de conclusie zou kunnen steunen, uit de gesprekken is gevist.

En dan zitten gezinnen in de puree. Een kinderbeschermingsmaatregel als plaatsing in een pleeggezin of internaat, veel te weinig contact, en onzekerheid over de vraag of het kind nog wel terug komt.

Heel bitter is het dan, als je moet bedenken dat het eigenlijk “je eigen schuld” is.

als je niet had gezegd dat je het lievelingetje van je vader was, was de ”onderzoeker” niet op het waanidee van een incestueus verleden gekomen;
als je nooit dat intakegesprek bij de RIAGG had gevoerd, had er nu niet in een rapport kunnen staan dat je psychische problemen had;
als je minder streng voor je puber was geweest, zat je nu thuis ruzie te maken over laat thuis komen in plaats van machteloos te moeten toezien dat alles wat je ooit hebt verboden nu gewoon mag;
als je had geweten hoe sommige raadsonderzoekers werken, stond er nu niet in een raadsadvies aan de rechter dat er na de scheiding maar geen contact meer met jou als ouder moet zijn.
Omdat dit soort rampen de spuigaten uitlopen, zijn er ouderorganisaties opgericht.

Een daarvan is stichting Kinderen - Ouders - Grootouders.

KOG geeft iedereen algemene informatie op juridisch en praktisch terrein, en donateurs individueel advies en ondersteuning. Donateur is men voor € 15 per jaar.

KOG: informatie, advies en hulp van ouders voor ouders. Dit is zo belangrijk, omdat mensen met hun verhalen over het optreden van “de instanties” al heel gauw niet meer bij familie en vrienden hoeven aan te komen. Die denken misschien: dit zijn zulke rare verhalen, daar is vast wel wat aan de hand geweest!

Bij KOG krijgt u te maken met ervaringsdeskundigen. Wij weten dat veel verhalen geen rare verzinsels zijn, maar helaas de gewone praktijk van allerlei hulp en bescherming.


Praat in uw omgeving over wat er is gebeurd, maar hou er ook een keer over op!

Als ouders met kinderen uit elkaar gaan geeft dit meestal veel verdriet, strijd en onduidelijkheid. De emoties spelen bij alle partijen hoog op. Vaak moet een van de ouders vrezen dat zijn of haar relatie met de kinderen in gevaar komt. Deze ouders praten over wat er gebeurt, en als ze hun kinderen werkelijk dreigen kwijt te raken blijven ze daarover praten en praten. Ze willen met papieren te zwaaien en willen dat hun kennissen die lezen. Hetzelfde geldt voor mensen die te maken hebben met een uithuisplaatsing.

Een poosje kunnen ze op sympathie rekenen, dan begint bijna iedereen het gespreksonderwerp wel erg eentonig te vinden. Als u enige weerstand voelt, is het zaak te voorkomen dat u zichzelf in een isolement werkt. En de twijfel slaat toe: zou er toch niet iets aan de hand (geweest) zijn? Bij lotgenoten hoeft u daar niet bang voor te zijn, en die zullen ook niet snel vinden dat u er maar eens over op moet houden. Zie de folder Een ijswoestijn in de map Publicaties.


Op advocaten wordt in het verband van kinderbescherming een beroep gedaan door ouders die wensen dat

er geen kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling) wordt uitgesproken,
de maatregel ots wordt beëindigd,
de ots niet wordt verlengd,
hun onder toezicht gestelde kind niet uit huis wordt geplaatst,
de uhp wordt beëindigd,
de uhp niet wordt verlengd,
hun kind niet wordt overgeplaatst,
hun kind wordt overgeplaatst naar een bepaald gezin,
er meer of ander (zonder aanwezigheid derde) contact met hun kind is,
zij inzage in een dossier van hun kind krijgen,
de instelling een andere gezinsvoogd aanstelt,
de kinderrechter een andere (gezins)voogdij-instelling benoemt,
zij informatie over hun kind krijgen van mensen die beroepsmatig met het kind te maken hebben (gehad), dus ook schoolrapporten ontvangen en uitgenodigd worden voor ouderavonden,
zij niet worden ontheven of ontzet van / uit het ouderlijk gezag.

Verder doen pleegouders een beroep op een advocaat omdat zij willen dat
een kind niet wordt overgeplaatst of
niet terug gaat naar zijn ouders.

Ook grootouders komen in beeld:
als grootouder die pleegouder wil worden, of als pleegouder die bang is dat het kleinkind wordt overgeplaatst.
Een groot-pleegouder heeft niet erg veel rechten als grootouder, meer als pleegouder (zie in deze map Grootpleegouders).
Soms wensen grootouders (meer) contact met hun uit huis geplaatste kleinkind.


Een valkuil voor advocaten is de bovenbeschreven houding van sommige rechters. Zij toetsen onvoldoende, dus de advocaat moet dat doen. Elk dossier opvragen. Alles controleren, tot en met bijvoorbeeld de registratie van een psycholoog. Dat kost heel veel tijd.
Het loont misschien de moeite in overleg met uw advocaat te bezien of u meerdere toevoegingen kunt krijgen i.v.m. de verschillende instanties: bijv. apart voor verweer tegen het verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming, en apart voor de als onderbouwing van het verzoekschrift dienende rapportage van de Forensisch Psychiatrische Dienst.

Heel belangrijk is altijd dossier-opvraag. Men moet altijd vragen om het volledige dossier, en het totale dossier, dus alle delen van het dossier die zich misschien bevinden op verschillende plaatsen of in verschillende informatiedragers: kopieën van stukken worden vaak niet graag afgestaan. Vraag ook expliciet om een contactenlijst. En vraag na of e-mails en faxen erbij zitten. Als u een oproep hebt gekregen van een AMK, is het dienstig niet alleen bij dit AMK, maar ook bij het bureau jeugdzorg waar het AMK onderdeel van is het totale en volledige dossier op te vragen, en omgekeerd.
Inzagerecht in dossiers
Wet op de Jeugdzorg Hoofdstuk IX Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden
artikel 49 t/m 56:

Artikel 49
De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de cliënt onder zich hebben.

Artikel 50
1. Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de cliënt geweigerd, indien deze:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
2. Indien de cliënt jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet.
3. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan eveneens worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliënt daardoor zou worden geschaad.
4. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens Artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels.

Artikel 51
1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt.
2. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
3. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in Artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.

Artikel 52
1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van bescheiden, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage worden geregeld overeenkomstig de Artikelen 49 tot en met 51.

Artikel 53
1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in Artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in Artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken.
(Artikel 7, zesde lid: In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien
a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in Artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d (en dat is dan weer o.a. uitoefening van voogdij)
b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in Artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 11, eerste lid: Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling houdt, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de uitoefening van de volgende taken in: …)
2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in Artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in Artikel 7, zesde lid.
3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.
4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in Artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de taak, genoemd in Artikel 11, eerste lid.
5. In afwijking van Artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van Artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge Artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 54
1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken, genoemd in Artikel 11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen bij anderen dan degene die het betreft, brengt zij de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte.
(Artikel 11 gaat over het fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.)
2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, genoemd in Artikel 11, eerste lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.
3. In afwijking van Artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een stichting de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

Artikel 55
1. Onverminderd het tweede lid en Artikel 56 bewaren de stichting en de zorgaanbieder bescheiden die deze met betrekking tot een cliënt onder zich hebben gedurende tien jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening noodzakelijk is.
2. De stichting bewaart, voor zover deze de taken, bedoeld in Artikel 10, eerste lid, onder a, b, en c, uitoefent, de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

Artikel 56
1. De stichtingen en de zorgaanbieders vernietigen de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.
2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.
3. Het verzoek van een cliënt wordt niet ingewilligd indien deze:
a. jonger is dan twaalf jaren, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
4. In de gevallen bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.


Artikel 50: “de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliënt”:
De cliënt heeft dus alleen recht op de gegevens die hem zelf betreffen. Een ouder heeft alleen recht op gegevens over hemzelf en over zijn kind jonger dan 16 jaar.

In gevallen waarin een vermoeden van kindermishandeling bestaat, kan ook degene die op grond van zijn ambt of beroep een geheimhoudingsplicht heeft, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een bureau jeugdzorg inlichtingen geven.

De bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders hebben een inzageregeling.
Daarin is het recht op inzage en afschrift geregeld, evenals de beperkingen aan dat recht.

Inzagerecht in contactjournalen
De Hoge Raad heeft zich op 24 januari 2003 uitgesproken over het recht op inzage in contactjournaals, die de raad voor de kinderbescherming en de bureaus jeugdzorg soms niet graag afstaan (nr. C01/143HR; Rechtspraak van de Week 2003, 23; JOL 2003, 54).
In de door de Hoge Raad behandelde kwestie was het oordeel dat de ouder geen recht op inzage had, maar de reden daarvoor was: dit contactjournaal was niet bestemd voor andere ogen dan die van de schrijver, en was ook niet onder andere ogen gekomen.
Dit was dus niet wat wij onder een contactjournaal verstaan!
Het is een belangrijke uitspraak, omdat daaruit is af te lezen dat in andere gevallen er wel recht op inzage was geweest.
De Hoge Raad wijst o.a. op het verschil tussen persoonlijk gebruik en intern gebruik.
Wat intern gebruikt is, is bestemd voor andere ogen dan die van de schrijver.
De zogenaamde ‘professionele werkaantekeningen’ van o.a. de raad voor de kinderbescherming behoren dus volgens dit vonnis gewoon tot het dossier.

Enkele citaten uit de behandeling van deze kwestie in: Nederlandse Jurisprudentie Pocket, Personen- en familierecht, Gepubliceerde rechtspraak met annotaties in 2002 en 2003; Deventer 2004, ISBN 90-13-00421-0.
Eerst A uit de Conclusie van de Advocaat-Generaal,
daarna B uit het vonnis van de Hoge Raad (de Conclusie van de Advocaat-Generaal is niet wat in het dagelijks leven een conclusie heet, maar een advies aan de Hoge Raad),
tenslotte C uit de Noot van de uitgevers:

A “Tussen de verschillende gezinsvoogdij-instellingen bestaat verschil in de wijze waarop het contactjournaal wordt ingericht, zie … . Zie ook A. van Hout en E. Spinder; De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk, 2001, p. 417-419,
(zie voor het commentaar van Alice Jansen en Truus Barendse op dit handboek op deze site in de map Publicaties ‘Jongleur over de schreef’)
die voor het doel van het contactjournaal verwijzen naar het Protocollenboek, Vedivo, 1994. Daarin wordt het doel als volgt omschreven:
‘Het contactjournaal geeft een beknopt overzicht van de mondelinge, telefonische en schriftelijke contacten met leden van het cliëntsysteem, gericht op de uitvoering van het hulpverleningsplan en in dat verband het oplossen van voorkomende problemen en vragen. Het contactjournaal moet de contacten en activiteiten op hoofdpunten in kernachtige bewoordingen vastleggen.’
… Met betrekking tot de vraag of cliënten recht hebben op inzage in het contactjournaal merken zij het volgende op:
‘Binnen de meeste (gezins)voogdij-instellingen ontwikkelt het beleid zich nu in de richting van een duidelijk onderscheid tussen werkaantekeningen en contactjournaal. (noot: Dat neemt niet weg dat in een aantal instellingen contactjournaal en werkaantekeningen zijn geïntegreerd. Openheid naar de cliënt wordt gegarandeerd door uitgebreide hulpverlenings-plannen en voortgangsrapportages, waarin de inhoud van het contactjournaal is verwerkt.)
Werkaantekeningen worden gezien als een middel voor de gezinsvoogd zelf om vrijelijk zijn gedachten en persoonlijke gevoelens weer te geven. Ze worden alleen intern gebruikt en kunnen een rol spelen bij de werkbegeleiding. Ze vormen geen onderdeel van het dossier en zijn op grond daarvan dan ook niet ter inzage voor cliënten.
Het contactjournaal is een lijst waarop vermeld wordt met wie in het kader van de uitvoering van de hulpverlening op welke datum contact geweest is, het onderwerp van het gesprek en eventuele conclusies en afspraken. Het gaat om het weergeven van feiten. Het contactjournaal vormt een onderdeel van het dossier en leent zich voor inzage.’
…Uit dit arrest van het EHRM kunnen de volgende conclusies getrokken worden.
Art. 6 EVRM vereist dat alle bescheiden die door de rechter aan zijn beslissing in een
–het family life rakende – zaak ten grondslag worden gelegd, ook voor alle partijen ter inzage dienen te zijn. …
Art. 8 EVRM vereist dat ouders voldoende kans krijgen om in zaken die raken aan het family life met hun kinderen, hun belangen in het besluitvormingsproces te verdedigen. …
Het oordeel van president en hof dat persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener niet ter inzage gegeven behoeven te worden, is juist. Deze maken geen onderdeel uit van het dossier. Hetzelfde geldt voor medische dossiers, zie …” (pag. 642-644)

B “Het door het onderdeel bepleite inzagerecht van V. in aantekeningen die uitsluitend persoonlijke gedachten van de maatschappelijk werker bevatten, vindt ook geen steun in de in het onderdeel genoemde bepalingen. Ook art. 1:377c BW biedt geen grondslag voor een recht op inzage in uitsluitend voor persoonlijk gebruik gemaakte aantekeningen, die niet zijn bedoeld om onder ogen van derden te komen en ook niet onder ogen van derden zijn gekomen.” (pag. 647)

C “… De door de Hoge Raad gebruikte term ‘derden’ kan verwarring wekken. Moet dit niet worden verstaan als: anderen dan de maatschappelijk werker zelf? Algemeen aanvaard is dat persoonlijke werkaantekeningen niet behoren tot het ‘dossier’ en niet aan het inzagerecht zijn onderworpen. Bij de totstandkoming van art. 7:454 BW (…) en art. 7:456 BW (…) is onder meer van de zijde van de regering opgemerkt: ‘Persoonlijke werkaantekeningen zijn werkaantekeningen uitsluitend voor persoonlijk gebruik, dat wil zeggen dat zij niet bedoeld zijn om onder ogen te komen van derden en dat dit ook niet is gebeurd. Zodra de hulpverlener inzage van persoonlijke werkaantekeningen verleent aan anderen, dan wel de inhoud daarvan mondeling mededeelt aan anderen, gaat het niet langer om persoonlijke werkaantekeningen.’ (Kamerstukken II 1991/92, 21 561, nr. 10, p. 22). …
Zie ook de toelichting bij … uit de inmiddels ingetrokken Wet persoonsregistraties (art. 2 lid 1 aanhef en onder a): ‘Van persoonlijk gebruik is sprake bij zakagenda’s, persoonlijke werkaantekeningen e.d. die de houder niet aan anderen ter beschikking pleegt te stellen’ … en ‘Het “naar zijn aard voor persoonlijk gebruik bestemd zijn” vereist, dat het gaat om persoonlijke aantekeningen die de houder niet aan anderen, en evenmin aan zijn opvolger in die functie, ter beschikking pleegt te stellen’ …
Het persoonlijk gebruik is dus te onderscheiden van het intern gebruik. …
Art. 42 en 43 Wet op de jeugdhulpverlening (in de toekomst: art. 45-46 Wet op de jeugdzorg; …) geven aan de jeugdige of diens wettelijke vertegenwoordiger het recht op desgevraagd ‘inzage in en afschrift van de bescheiden die deze (een uitvoerder en een plaatsende instantie) met betrekking tot de jeugdige onder zich hebben’, zonder uitzondering voor stukken opgesteld voor ‘intern beraad’ (…).

Zouden ‘belangrijke feiten en omstandigheden’ zich uitsluitend als werkaantekeningen in het niet tot het dossier behorende contactjournaal bevinden, dan zou de ouder op grond van art. 1:377c lid 1 BW jo art. 42 dn 43) in beginsel (…) recht van inzage en afschrift hebben. Het lijkt mij evenwel dat de maatschappelijk werker ervoor behoort te zorgen dat die ‘belangrijke feiten en omstandigheden’ via rapportage – aan de hand van zijn werkaantekeningen en al dan niet gemodificeerd als vrucht van zijn persoonlijke gedachten – in het dossier belanden.
In casu bevatte het contactjournaal naast de aantekeningen van persoonlijke gedachten (werkaantekeningen) ook andere informatie die in beginsel wel ter inzage behoorde te zijn. Kennelijk was die andere informatie via rapportage in het dossier verwerkt, waarin de ouder inzage had gehad (…). Zou splitsing van wel ter inzage en niet ter inzage beschikbare informatie niet mogelijk zijn (…), dan behoort m.i. inzage te worden gegeven in het geheel.
De ouder had zich, behalve op art. 1:377c BW, beroepen op art. 6 en 8 EVRM en daartoe het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak McMichael v. the United Kingdom, NJ 1995, 594, m.nt. aangehaald. Deze zaak McMichael (1995) is, wat het in de onderhavige zaak spelende punt betreft, gevolgd door de volgende omgangs- en kinderbeschermingsuitspraken van het EHRM:
Elsholz v. Germany (2000)
T.P. and K.M. v. the United Kindgom (2001)
Sommerfield, Hoffmann en Sahin v. Germany (2001) NJ 2002, 417, m.nt. SW
Buchberger v. Austria (2001)
P.,C. and S. v. the United Kingdom (2002)
Hoppe v. Germany (2002)
Venema v. the Netherlands (2002)
K.A. v. Finland (2003) en
Covezzi and Morselli v. Italy (2003).
In deze zaken speelde overigens, behalve het achterhouden van materiaal aan de ouders, ook kwesties als de weigering een onafhankelijk psychologisch onderzoek te gelasten (Elzholz, Sommerfield), het niet-horen van het (vijfjarig!) kind (Sahin), het ontbreken van rechts-bijstand aan de ouders met een weigering van uitstel van behandeling (P., C and S. v. the United Kingdom (2002), het ontbreken van mondelinge behandeling in hoger beroep (Elzholz, Hoppe) en vertragingen in de rechterlijke behandeling en besissing (Covezzi and Morselli).

Ad artikel 6 EVRM. In de zaak McMichael hadden de beslissende organen, waaronder tenminste één rechterlijke instantie, stukken benut die niet aan de ouders ter beschikking waren gesteld; dit leverde strijd op met zowel art. 6 als art. 8 EVRM. Interessant is dat in de zaak Buchberger (2002), waarin zich hetzelfde had voorgedaan, het EHRM daarom in verband met art. 6 EVRM een schending aannam van het beginsel van ‘equality of arms’, ook al ging het om kinderbeschermingsmaatregelen: …
Ook in de zaak Venema.v. the Netherlands (2002) bestond de schending van art. 8 EVRM daarin dat de ouders niet waren ingelicht omtrent verdenkingen jegens hen, alvorens een rechterlijke kinderbeschermingsmaatregel (…) werd geïnitieerd (…) ….
Kortom, het inzagerecht der ouders dient niet slechts de ‘equality of arms’ (in een procedure), maar ook anderszins hun betrokkenheid in het beslissingsproces (…), de verwerking van hetgeen hen is overkomen (…) en de inschatting van hun kansen in hoger beroep (…). …” (pag. 647-650)

Een advocaat die de indruk wekt toch eigenlijk niet te kunnen geloven dat officiële instanties vaak knoeiwerk leveren, soms ronduit liegen, die dus niet kritisch tot in zijn tenen wil zijn, is niet de advocaat die uw zaak goed zal behartigen.
Een advocaat die de indruk wekt toch eigenlijk te denken dat mensen die in aanraking komen met instanties als de kinderbescherming het afvoerputje van de samenleving zijn, en niet heel vaak doodgewone ouders, die dus diep in zijn hart denkt: waar rook is is vuur en nu komt er tenminste hulp, is niet de advocaat die uw zaak goed zal behartigen.

NEEM UW GESPREK OP MET DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING!!!

In reactie op het persbericht van KOG d.d. 23 januari 2006 (zie map Verzonden en ontvangen 2006 nummer 1) heeft de woordvoerder van het Landelijk Bureau tegen het ANP gezegd dat gesprekken met raadsmedewerkers opgenomen mogen worden. “Volgens de woordvoerder mogen ouders nu ook al verzoeken een opname te laten maken en wordt dit ook ingewilligd.” aldus het Nederlands Dagblad, het Reformatorisch Dagblad en de Leeuwarder Courant.

Enkele gevallen om u te inspireren tot de nodige acties

Een gescheiden vader krijgt een oproep van een Advies en Meldpunt Kindermishandeling. “Over uw kinderen Pietje en Marietje zijn onlangs zorgen gemeld. Om deze zorgen met u te bespreken nodig ik u uit voor een gesprek.” Hij vermoedt wat een AMK kan bedoelen en wil al voor het gesprek met het AMK een advocaat inschakelen. Wat moet er gebeuren?
- Er moet allereerst een brief uitgaan om het AMK-dossier op te vragen.
Artikel 11 van de Wet op de jeugdzorg noemt als een van de taken van de bureaus jeugdzorg: Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling.
De Wet regelt in de artikelen 49 t/m 56 het recht op inzage in en afschrift van bescheiden.
- Bovendien moet meteen gevraagd worden wat in concreto het gespreksonderwerp is.
Dat voorkomt bijvoorbeeld dat een vader out of the blue hoort dat iemand vermoedens van seksueel misbruik heeft gemeld en hij dan bovendien later moet lezen: “Reageert minder heftig dan ik zou verwachten.”

- Als in het AMK-dossier een instantie genoemd wordt als melder, moet er een brief uitgaan naar deze instantie om daar het dossier van het kind op te vragen.
Belangrijk is hetgeen gemeld wordt in Van den Berg, Ingang om de hoek pag. 118: de regeling van het inzagerecht derogeert aan de Wet bescherming persoonsgegevens, en vanaf 12 jaar mogen kinderen zelf toestemming verlenen om hun gegevens aan derden door te geven.

- Wie heeft er vanuit de school of de kinderopvang o.i.d. gemeld? Aan deze persoon moeten de vragen gesteld worden:
1) of hij de tekst kent waar zijn melding de basis van was en
2) of hij zich daarin kan vinden.
- Als er op beide vragen een bevestigend antwoord komt, moet bezien en eventueel weer schriftelijk gevraagd worden: of hij zijn melding kan verantwoorden, m.a.w. weet hij het gemelde uit eigen waarneming en is hij in staat erover te oordelen, of heeft hij het gemelde gehoord in bijvoorbeeld een teamoverleg uit de mond van iemand die in staat is erover te oordelen (moet dan in dossier terug te vinden zijn)? Als het bijvoorbeeld gaat over een jong Marokkaans kind in een kinderopvang en men spreekt van taalachterstand (met daaraan verbonden vermoeden van mishandeling), is de bron niet in staat daarover te oordelen als hij zelf geen Marokkaans spreekt.
- Als de melding van een intern begeleider op een school komt, moet deze melding voorgelegd worden aan de eigen leerkracht van het betreffende kind. Is deze het er mee eens?
- Extra aandacht moet er zijn voor de vraag of de melder werkelijk zelf meldt, of a.h.w. spreekbuis is van de ex-echtgenoot. Dan lijkt er een instantie aan de bel te trekken, maar is het in werkelijkheid de ex-echtgenote.
Dat is snel te zien: kan de melder zelf gezien/gehoord hebben wat er wordt gemeld?
“De kinderen verzetten zich hevig als zij opgehaald worden door de vader in het kader van de bezoekregeling.” Het lijkt de moeite waard met een briefje uit te lokken dat de melder op papier zet dat hij alleen maar napraat.

- “Zich zorgen maken”: altijd uitleg vragen. “Het AMK is gestart met een onderzoek. Inmiddels is al gebleken dat ook school en huisarts zich zorgen maken.” Maken school en huisarts zich zorgen? Zo ja, over dezelfde kwestie?! Vragen bij school en huisarts!
- “Gezien het zorgelijke gedrag van de kinderen is een psychodiagnostisch onderzoek voor beide kinderen, en een lichamelijk onderzoek in het …Ziekenhuis om meer zicht te krijgen op de problematiek en de juiste hulp voor de kinderen en de ouders te kunnen organiseren.”
De vraag moet gesteld worden wie het psychodiagnostisch onderzoek gaat doen, en wat het registratienummer is van deze onderzoeker in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheids-zorg, onderdeel van VWS). Vervolgens controleren bij het BIG-register!
- De vraag moet gesteld worden wie in het ziekenhuis het lichamelijk onderzoek gaat doen.
- De bevindingen van de arts moeten opgevraagd worden: bevindingen worden soms onjuist weergegeven.

- “Deze onderzoeken zullen door het AMK worden aangevraagd. Hangende het onderzoek van het AMK … Onzes inziens is het omwille van de veiligheid absoluut nodig dat vader nu niet alleen met de kinderen is. Bezoek kan alleen onder begeleiding plaatsvinden in deze fase.” Daaronder een handtekening van o.a. de vertrouwensarts. Dien een klacht in bij een Medisch Tuchtcollege: de handtekening van een arts geeft het advies cachet, maar er is sprake van een (nog) ongefundeerd oordeel in een niet-medische kwestie. Bij gegrondverklaring is deze bouwsteen om het contact tussen vader en kinderen te ondermijnen niet meer goed bruikbaar tijdens een rechtszitting. (De vertrouwensarts heeft zich tot spreekbuis van de ex-echtgenote gemaakt voordat er onderzoek is verricht, althans voordat duidelijk is geworden wat de uitkomst is van een onderzoek (?))

U hebt weliswaar een omgangsregeling met uw uit huis geplaatste kind van de rechter gekregen, maar Bjz werkt er eenvoudig niet aan mee.
Wat moet er gebeuren?
N.B.: Bureaus jeugdzorg plaatsen zich met regelmaat boven de rechter, waarmee zij zich dus tot een staat in de staat maken. Zij vinden dit gewoon. Op een bijscholing voor familierecht-advocaten in het kader van de Opleidingen Sociaal Recht in Utrecht (die gericht bleek op instanties, niet op advocaten die instanties-weerstrevende ouders bijstaan) werd dit zelfs gebracht als ‘wij hebben ook onze eigen verantwoordelijkheid’.

- Er moet met zoveel spoed als mogelijk is een dwangsom op de omgang gevraagd worden.

(geen tijd verspillen aan contacten met Bjz)

U hebt een manisch-depressieve dochter, voor wier kindje u al meer dan een jaar hebt gezorgd; uw dochter wil nu het kind terug.
De dochter (die eenhoofdig ouderlijk gezag heeft) is niet voor rede vatbaar. U denkt dat terug naar moeder slecht is voor het kind omdat moeders situatie niet is verbeterd. Er is steeds goed contact tussen moeder en kind geweest, en dat wilt u ook zo houden. Wat moet er gebeuren?
- Feit is, dat hoe langer u voor het kind hebt gezorgd, hoe sterker u zal staan als de kwestie bij de rechter komt (art. 1: 253s). Proberen te rekken dus. Laat de dochter zich maar tot de rechter wenden om vervangende toestemming te krijgen om het kind weer bij zich te nemen. Maar als de dochter dit niet doet en ontvoering dreigt, kunt u beter niet wachten.
- Een grootouder kan zich als pleegouder tot de kinderrechter wenden.

Een ex-echtgenoot, bij wie de twaalfjarige dochter tegen de wil van de moeder is gaan wonen, wil eenhoofdig gezag.
Wat moet er gebeuren?
- Eenhoofdig of tweehoofdig gezag in een situatie waarin het mogelijk is dat een kind van 12 van de ene ouder naar de andere ouder verhuist tegen de wil van de moeder, maakt weinig verschil. Als u toch de gedachte niet kunt verdragen dat u zelfs niet meer het gezag hebt, moet u op de zitting (waar u misschien beter alleen heen kunt gaan om vooral ongevaarlijk en ongewapend te lijken) tegen de rechter zeggen dat u het er niet mee eens bent. Want:
Het kind is tegen haar wil naar de vader verhuisd. Met deze man valt niet te praten.
U probeert absoluut niet de dochter te dwingen terug te komen, u hoopt alleen dat het kind op een goed moment terug wil.
In de tussentijd zult u zich nergens mee bemoeien, omdat dat alleen ruzie kan opleveren. Omdat u niet probeert te dwingen en zich niet bemoeit, is er geen reden u van het ouderlijk gezag te ontheffen (van “tussen de ouders verloren of beklemd” raken kan door deze opstelling geen sprake zijn).
Als gebaar tegenover het kind zou u dit ook onwenselijk vinden.
U hoopt dat de rechter beslist dat de bestaande situatie van tweehoofdig gezag zo blijft.


Een vijftienjarige dochter is weggelopen en heeft bij “de instanties” verteld dat haar vader haar slaat.
Wat moet er gebeuren?
- Het allerslechtste wat u kunt doen, is contact met enige instantie behalve de kinderrechter. Voor de instanties (crisisopvang, bureau jeugdzorg, raad voor de kinderbescherming en wat dies meer zij) staat bijna altijd als een paal boven water dat weglopers daar een gegronde reden voor hebben. KOG weet uit ruime ervaring dat dit zeker niet het geval hoeft te zijn. Contact met instanties kan voor ouders alleen frustratie en woede opleveren. Hun woorden worden verdraaid, hun kind zou van alles gezegd hebben, ze moeten meemaken dat onder het mom van contactherstel het kind tegen hen wordt opgezet (“Direct komt je vader. Maar als je niet wilt hoeft het niet hoor!”).
Alleen de kinderrechter (want de raad voor de kinderbescherming gaat een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing aanvragen) zal misschien kunnen geloven dat er geen reden was om weg te lopen. Die kans is klein. Maar die kans wordt zeker niet groter door te praten met wie dan ook, of door commentaar te leveren op rapporten, of door zich te onderwerpen aan een psychologisch onderzoek. Allemaal niet doen. Ook als de rechter ermee komt: weigeren.
Het enige wat kan helpen het kind bij zijn positieven te laten komen, is contact met het kind zelf.
Voor de zitting bij de kinderrechter is het misschien nuttig als de school en de huisarts, misschien een sporttrainer bijvoorbeeld, een verklaring afgeven op hun eigen terrein.
Als de school een vertrouwenspersoon heeft, intern begeleider of hoe zo iemand in het concrete geval ook maar geëtiketteerd is, kan het lonen het schooldossier van het kind in te zien: heeft het kind contact gehad met deze functionaris? Op scholen wordt heel wat opgeruid.


Verhelderende literatuur:

Mr dr A.A.W. van Unen; Wet op de jeugdzorg, tekst en uitleg, ’s-Gravenhage, 2005
ISBN 90-5901-554-1

E.C.C. Punselie; Voor een pleegkind met recht een toekomst, een studie naar de (rechts)positie van (pleeg)ouders en (pleeg)kinderen in geval van langdurige uithuisplaatsing; Amsterdam, 2006. Proefschrift. ISBN 90-13-03328-8

M.F.M. van den Berg; Ingang om de hoek, de wet op de jeugdzorg vanuit het perspectief van de (potentiële) cliënt belicht; Nijmegen, 2006. Proefschrift. ISBN 10:90-5850-215-5

B. van den Berg; Deskundigheid in het geding, een vergelijkend onderzoek naar de inbreng van deskundigheid bij de administratieve en civiele rechter; Amsterdam, 1999. Proefschrift.
ISBN 90 5454 107 5

S.L. Detrick; A commentary on the United Nations Convention on the Rights of the Child; Amsterdam, 1999. Proefschrift. Kluwer Law International.

Platform SCJF (auteurs Alice Jansen en Truus Barendse); Jongleur over de schreef, reactie van het Platform SCJF op De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk; Utrecht, 2002.


Burgerlijk Wetboek boek 1

artikel 254

Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te verwachten, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting enzovoort.
De kinderrechter kan een in het eerste lid bedoelde minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning enzovoort
enzovoort
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie.
enzovoort
artikel 261

1, Indien dit NOODZAKELIJK is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting … machtigen de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.

2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Wet op de jeugdzorg, ia het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

Enzovoort


Wet op de jeugdzorg artikel 5

De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.
Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:
a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
b...........
c. idem
d. idem

Mr dr A.A.W. van Unen; Wet op de jeugdzorg, tekst en uitleg
(beleidsmedewerker jeugdzorg bij de provincie Friesland): ISBN 90-5901-554-1

Pag. 81 e.v.: “Voor verreweg de meeste jeugdigen en ouders/verzorgers zal kunnen worden volstaan met jeugdzorg zonder verandering van de verblijfplaats van de betrokkenen. De meeste jeugdigen kunnen ondanks hun problemen bij hun ouders blijven wonen, of zelfstandig … . Voor een aantal jeugdigen zal jeugdzorg een verandering in de woon- en leefsituatie meebrengen.”


Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg:
Het uitvoeren van de ondertoezichtstelling
artikel 43
1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld …

Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zamenhangen met de doelen van de zorg.
4. Indien een minderjarige blablabla
5. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval ioverleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en
b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die enzovoort, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige.
6. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, …



Ga terug