![]() |
||||
|
||||
|
|
Nico Mul heeft hierover geschreven (zie ook Nico Mul's link): Bureau Jeugdzorg, waarheidsvinding en rechters Niet alles wat geschreven staat is per definitie de waarheid. Soms zijn zaken verre van iets dat op waarheid lijkt. Nu heerst de opvatting, als het gaat om zaken als ‘Indicatie Besluiten’ van Bureau Jeugdzorg (BJZ) met betrekking tot Onder Toezicht Stelling (OTS) of Uit Huis Plaatsing (UHP), dat men geen bezwaar kan maken tegen indicatie-besluiten (IB). Zelfs sommige advocaten zijn die mening toegedaan. Al jaren bestaan er twijfels over deze rapporten en de waarheid zo ook bij mij. Daartoe geprikkeld door een rechter die tegen een advocate zei: ‘mevrouw, daar zijn andere procedures voor’ toen die advocate op mijn verzoek een bezwaarschrift over een IB bij de kinderrechter voor legde, startte ik in 2007 die ‘andere procedure’ over het zogenaamd ‘bestuursrechtelijk toetsen’ van een indicatiebesluit in zake OTS en UHP. Aanvankelijk werd mijn verzoek sowieso afgewezen en werd ik verwezen naar de Centrale raad voor Beroep (CrvB) in verband met hoger beroep. Deze CrvB stuurde mij terug naar de Raad van State. Deze bepaalde enige tijd later: neen, het dient behandeld te worden bij de CrvB. Bij die laatste bepleitte ik op 18-3-2008 het volgende: als de kinderrechter niet een bezwaar op een IB in zake OTS en UHP mag behandelen, en de bestuursrechter dit niet doet ‘omdat’ het familierecht is en de provinciale klachtencommissies en zo zijn afgeschaft, dan heeft BJZ een vrijbrief om van alles maar te indiceren en niemand toetst het op waarheid en juistheid van feiten en omstandigheden. Er kwam een uitspraak op 29-4-2008, LJN BD 1113 die duidelijkheid schiep: de afzonderlijke procedure werd afgewezen, maar duidelijk bepaalde de CrvB, in dezen ons hoogste rechtscollege, dat de civiele kinderrechter wel moest ingaan op de zogenaamde ‘bestuursrechtelijke bezwaren’ aan een indicatiebesluit. Deze bestuursrechtelijke bezwaren kunnen zijn: onjuiste wijze van tot stand komen, uitgaan van onjuiste feiten en omstandigheden, onjuiste ondertekening, niet gefiatteerd door een (nu nog) wettelijk verplichte gedragswetenschapper (de wetgever wil die verplichting afschaffen, dan komt er géén enkele gedragsdeskundige meer aan te pas, uitsluitend lager geschoolde BJZ-medewerkers!), misbruik maken van omstandigheden om een ander doel te bereiken (hier: vaak pleegouder-adoptie willen bereiken onder het mom van ‘hulp’ aan de echte ouders en het kind!). Na die tijd is er diverse vervolg-jurisprudentie geweest waar een en ander aangescherpt werd ten aanzien van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo bepaalde de kinderrechter te Maastricht in uitspraak LJN BF2737 onder andere ‘een IB moet voldoen aan de kwaliteitsmaatstaven die de Awb vereist’. Zo werden ook vele IB’s verworpen door diverse rechters op grond van de zelfde soort bezwaren. Ik noem LJN BH5020 Er zijn er veel meer! Nu zijn er soms wel wanhopige ouders die ook nog door hun advocaten in de steek gelaten worden met de mededeling: ‘er valt toch niets tegen het IB te doen’. Zo werd ik begin oktober 2008 drie dagen voor een zitting van het Hof Den Bosch benaderd door een moeder met een UHP kind . Ik heb in zeer korte tijd het dossier doorgenomen en voor haar een pleitnotitie van minder dan twee A4-tjes geschreven. Resultaat: bij uitspraak Hof 30-10-2008 onmiddellijk het kind terug bij moeder geplaatst. Zondag avond 15-11-2009, 18.00 uur werd ik gebeld door een geheel wanhopige moeder: haar advocate had haar vrijdag de 13e gezegd niet naar de zitting van 16-11 te komen, het had immers geen zin. BJZ wilde haar kind UHP naar een ‘therapeutisch pleeggezin’ en een andere behandeling geven dan die moeder voorstond. Een ander kind zou OTS worden. Ik bood moeder aan op te schrijven wat zij wel zou moeten zeggen bij de rechter. Ook voor deze moeder schreef ik een korte pleitnotitie. Ter zitting op 16-11-2009 kreeg de moeder te horen: ‘ik kan wel zien dat u geen advocaat nodig heeft’. Uitspraak volgde direct: het kind dat UHP zou worden kreeg de behandeling die moeder voorstond met alleen een OTS, andere kind géén OTS! Bij dezen wil ik mijn ‘geheim’ van de succesvolle korte pleitnotities prijs geven. Bij de 1ste had BJZ het mij makkelijk gemaakt: er stond zelfs in het IB: ‘er is geen onderzoek verricht en er zijn geen onderzoeksgegevens bekend, daardoor vervalt het recht op second opinion’. Juist in het kader van bestuursrechterlijke toets was dit essentieel: kinderen wel uit huis willen plaatsen, zónder enig onderzoek!!! Eveneens heb ik in beide zaken gewezen op enige rechterlijke uitspraken waar BJZ op dergelijke gronden het onderspit dolf. Ook essentieel was het om in beide gevallen te refereren naar de artikelen 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg’ (Uvb Wjz). Hier die artikelen: Artikel 3 1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden. 2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen bieden, al dan niet met behulp van bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is. Artikel 4 1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover: a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders, b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ of zorg als bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft. 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4. Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3. Attentie: lees in plaats van de ‘jeugdhulp’ de OTS en de UHP! Hieruit dient men uiteraard de punten te halen die van toepassing zijn. Een speciale attentie verdienen de punten met betrekking tot de bereidheid om zelf de juiste hulp te zoeken en te aanvaarden en het lid 2b van artikel 3: u ziet géén recht op ‘jeugdhulp’ indien de problemen voortkomen uit een psychiatrische aandoening. Menig ouder heb ik horen klagen dat BJZ juist weigert om een kind psychiatrisch te laten onderzoeken. Nu weet u waarom: géén OTS (= ca. € 6700 per jaar) voor BJZ als het kind gewoon door een psychiater behandeld kan worden! Evenzo voor artikel 4 lid 2a: géén UHP indien het kind de hulp gewoon thuis kan krijgen! Mijn advies is dan ook: zoek zelf hulp voor uw kind bij een deskundige (BIG-geregistreerd (kinder)psycholoog, (kinder)therapeut of orthopedagoog) al naar gelang de problematiek. Heel kort dus mijn ‘recept’, voor ouders die zelf een pleidooi houden dan wel advocaten: - Attendeer de rechter op de gebreken in een IB als waarheid van feiten en juist (of niet-juist) onderzoek. - Verwijs naar die artikelen 3 en 4 van het UvB Wjz en de redenen waarom er géén recht op OTS of UHP zou zijn! - Overleg van een en ander bewijsstukken als rapporten van zelf ingeschakelde hoog gekwalificeerde deskundigen. - Overleg aan de rechter eventuele bezwaarschriften op een IB dan wel afschriften van klachten. - Attendeer de rechter op de uitspraken LJN BD1113, LJN BF2737 en LJN BH5020 - Concludeer tot onvoldoende onderbouwing van het IB en derhalve afwijzing van de verzoeken van BJZ of Raad voor de Kinderbescherming. Overigens is voor ouders altijd zaak om de basisregels in het familierecht in acht te nemen: - Vraag altijd uw dossiers op en bewaar een kopie. - Neem gesprekken zo veel mogelijk op. Schrijf zelf altijd gespreksbevestigingen. - Vraag tevens de contactjournalen bij BJZ en de Raad voor de Kinderbescherming op. U heeft recht op afschrift! - Houdt voor u zelf een soort dagboek in korte notities bij van uw zaak: dan houdt u overzicht! - Blijf in rechtszalen kalm en beperk emoties zo veel mogelijk: vooral het schelden of anderen diskwalificeren wordt in zeer sterke mate niet gewaardeerd en kan tegen u werken! In de verwachting dat dit samen met het mij vandaag ter kennis gekomen bericht dat er een tuchtrecht zal worden ingevoerd voor jeugdzorgmedewerkers zal bijdragen tot een verdergaande waarheidsvinding in het familierecht en dat dit zal leiden tot een einde aan de steeds voortdurende golf van UHP van kinderen op grond van ‘indrukken’, en ‘anonieme meldingen’ waarbij er zelfs geen enkele gedragswetenschapper of diagnosticus aan te pas komt. Zie hier over ook mijn verbetervoorstellen in mijn brieven aan minister Rouvoet! Altijd bereid tot nadere toelichting en juridische of procedurele hulp, drs. N.J.M.Mul e-post: N.J.M.Mul@gmail.com / publicatie: 25-11-2009 Bjz moet werken volgens het Handboek Indicatiestelling (zie de map Nuttig om te weten), maar … De diagnostiek die BJZ hoort toe te passen volgens het 'Handboek Indicatiestelling' van de MO groep is niet altijd dezelfde is als die door BJZ werkelijk wordt toegepast. Zo MOETEN gedragswetenschappers zelf kinderen onderzocht hebben. In de praktijk vaak: “De intern gedragswetenschapper is consultatief betrokken geweest.” WIE was dat dan? Heeft die het kind in kwestie ooit gezien? Zie hier de basis voor bestuursrechtelijke bezwaren: er IS GEEN ONDERZOEK verricht! Jurisprudentie Bij onderstaande uitspraak had drs N.J.M. Mul namens appellante hoger beroep ingesteld. Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die moet gaan leiden tot een ommekeer in de handelwijze van de civiele kinderrechter, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BD1113. Hier zegt de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2008 dat de civiele kinderrechter bestuursrechtelijke bezwaren moet accepteren en beoordelen. In het tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht FJR 7 / 8 2008 stond over deze uitspraak in de rubriek Actualiteiten: “In een uitspraak van 29 april 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep beslist dat tegen een indicatiebesluit, na bezwaar bij Bureau jeugdzorg, beroep kan worden ingesteld bij de kinderrechter, en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Geen hoger beroep kan worden ingesteld indien een dergelijk (indicatie)besluit feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling (o.t.s.) en uithuisplaatsing van een minderjarige. In een dergelijk geval moet de kinderrechter (als civiele rechter) de rechtmatigheid van dat besluit toetsen in het kader van de procedure tot o.t.s. en uithuisplaatsing. Ingeval tegen een (indicatie)besluit dat feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toch bezwaar wordt gemaakt, zal Bureau Jeugdzorg dit niet-ontvankelijk moeten verklaren. Tegen dat besluit op bezwaar kan (wel) hoger beroep worden ingesteld bij de kinderrechter (als bestuursrechter), met de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.” Deze uitspraak heeft geleid tot belangwekkende uitspraken van het Hof Den Haag (6 augustus 2008), Rechtbank Maastricht, kinderrechter (25 september 2008) en Rechtbank Maastricht, kinderrechter (5 december 2008). De civiele kinderrechter moet dus bestuursrechtelijk gaan toetsen. http://rechtennieuws.nl/18840/rechtsmachtverdeling-tussen-kinderrechter-als-civiele-rechter-en-kinderrechter-als-bestuursrechter.html http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=kenmerken&vrije_tekst=BD1113 LJN BE9979 Hof Den Haag 6-8-2008 De essentie van deze uitspraak is dat het Hof de indicatie van BJZ vernietigt en slechts (in dit geval) 4 weken de tijd geeft voor de juiste diagnostiek. Mogelijk is dit in andere zaken van belang waar BJZ indiceert voor uithuisplaatsing waarbij de indicatie is opgesteld “van horen zeggen” en zonder eigen onderzoek. Dus: hetgeen BJZ stelt moet op WAARHEID berusten en conclusies moeten logisch voortkomen uit de juiste FEITEN. 8. Het hof overweegt als volgt. De grieven van de minderjarige richten zich onder meer tegen het als zodanig in aanmerking nemen van de verklaring van de gedragswetenschapper. Zij is van mening niet door een gedragswetenschapper te zijn onderzocht en stelt dat de overgelegde verklaring zich kenmerkt door vage algemeenheden waarbij op geen enkele wijze duidelijk wordt wat de gedragswetenschapper tot de conclusie leidt. Ook bestrijdt de minderjarige dat de kinderrechter de machtiging heeft verleend voor de duur van een jaar, waar een machtiging voor beperkter duur in afwachting van nadere informatie meer in de rede had gelegen. De grieven van de moeder komen op deze punten in hoofdlijn met die van de minderjarige overeen, waaraan zij toevoegt dat de gedragswetenschapper bij Jeugdzorg in dienst is en derhalve niet objectief is. 9. Het hof overweegt omtrent een en ander als volgt. 10. Ingevolge artikel 29b, derde lid van de Wet op de Jeugdzorg kan een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie, ongeacht zijn instemming daarmee (hierna ook: gesloten jeugdzorg), slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, de betrokken stichting heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid zich voordoet en met die verklaring is ingestemd door een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 11. Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het voorstel tot invoering van deze wettelijke bepalingen (EK 2007-2008, 30644, D d.d. 13 november 2007, mede in verband met de nadere uitleg van de daarin gebezigde terminologie bij de brief van de minister voor Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer d.d. 27 februari 2008, TK 2007-2008, 30644, nr. 27), waarborgt de instemming van een gedragswetenschapper dat wordt vastgesteld dat de beperking van de vrijheid nodig is in verband met de opvoeding en opent zij aldus de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing zonder welke aan de door het EVRM aan vrijheidsontneming gestelde eisen niet is voldaan. Op grond van een en ander concludeert het hof dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg is omgeven en is het op grond daarvan van oordeel dat deze bepaling strikt moet worden toegepast. 12. In de onderhavige zaak heeft Jeugdzorg ter onderbouwing van haar (eerst ter terechtzitting van de kinderrechter in een verzoek tot verlening van een machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van voornoemde wet gewijzigde) op 7 maart 2008 ingediende verzoek tot voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c van voornoemde wet gesteld dat plaatsing van de minderjarige noodzakelijk is wegens een ernstig vermoeden dat (kort gezegd) een situatie bestaat zoals bedoeld in artikel 29b, derde lid van voornoemde wet. Blijkens de in zoverre niet bestreden beschikking, heeft Jeugdzorg bij op 14 maart 2008 ter griffie van de kinderrechter ingekomen brief een verklaring overgelegd dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de Jeugdzorg, met instemming van de gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Deze brief bevindt zich echter niet bij de door de minderjarige in hoger beroep overgelegde stukken, maar aan dit gebrek komt in verband met hetgeen hierna wordt overwogen geen betekenis toe. 13. Bij de stukken bevindt zich wel een op 11 maart 2008 gedateerde verklaring, getiteld: “instemming gesloten plaatsing” van mevrouw drs. A.E. Vermeulen, als gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, blijkens welke zij op 11 maart 2008 [de minderjarige], geboren op [geboortedatum], heeft onderzocht en inhoudende: “Ik verklaar dat ik de jeugdige heb onderzocht en stem in dat het geval zich voordoet als in het 3e lid van artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg. Er is sprake van ernstige opvoeding- en ontwikkelingsproblemen die de ontwikkeling naar de volwassenheid ernstig belemmeren. Naar mijn mening is het daarom noodzakelijk dat deze jeugdige in een gesloten jeugdzorginstelling wordt geplaatst, om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.” Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg zich onweersproken op het standpunt gesteld dat deze verklaring de verklaring van instemming is die aan de kinderrechter is overgelegd, zodat het hof daar ook van uit gaat. Het hof stelt allereerst vast dat uit de in zoverre niet bestreden inhoud van deze verklaring blijkt dat mevrouw Vermeulen op grond van artikel 1, aanhef en onder het derde gedachtestreepje van de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg is aan te merken als gedragswetenschapper in de zin van artikel 29b, vijfde lid van de Wet op de Jeugdzorg, alsmede dat zij de minderjarige kort tevoren met het oog op deze verklaring heeft onderzocht. Voorts moet op voet van eerdergenoemde brief van de minister van Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer d.d. 27 februari 2008 worden geoordeeld dat het enkele feit dat de gedragswetenschapper bij Jeugdzorg in dienst is niet afdoet aan de aan haar verklaring toe te kennen objectiviteit. Dat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling is niet onderbouwd, zodat het hof aan die grief verder voorbijgaat. Het hof stelt echter ook vast dat deze verklaring van de gedragswetenschapper geen instemming inhoudt met een verklaring van jeugdzorg dat zich een geval als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg voordoet. De gedragswetenschapper verklaart immers in te stemmen dat het in die bepaling bedoelde geval zich voordoet maar verklaart niet dat zij instemt met een verklaring van Jeugdzorg dat zich een dergelijk geval voordoet. Reeds om deze reden voldoet de overgelegde verklaring van de gedragswetenschapper aan het voorschrift artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de Jeugdzorg niet. Ook aan de strekking van dit voorschrift wordt niet voldaan, nu deze verklaring iedere argumentatie met controleerbare en verifieerbare feiten en omstandigheden ontbeert, de gedragswetenschapper zich daarin beperkt tot het presenteren van haar mening middels herformulering van de wettelijke terminologie en zodoende de met dit voorschrift beoogde rechterlijke toetsing van de voorgenomen vrijheidsontneming onmogelijk maakt. Dat de gedragswetenschapper over de vereiste deskundigheid beschikt doet hieraan niet af, omdat het derde lid van meerbedoeld artikel 29b duidelijk maakt dat de ter voldoening aan het EVRM in de wet opgenomen rechterlijke toetsing vergt dat de kinderrechter zelf tot het oordeel komt dat aan het wettelijk criterium is voldaan. 14. De grieven van de minderjarige treffen dan ook gedeeltelijk doel, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. 15. Nu de kinderrechter op grond van de door Jeugdzorg overgelegde bescheiden en aangevoerde argumenten ten hoogste zou hebben kunnen komen tot verlening van een voorlopige machtiging voor de duur van vier weken en het appel zich niet zozeer richt tegen de machtiging tot opneming in gesloten jeugdzorg zelf, maar tegen de in verhouding tot de situatie van de minderjarige lange termijn waarvoor zij is verleend, zal het hof de bestreden beschikking met ingang van heden vernietigen en het inleidend verzoek voorzover daarop nog moet worden beslist toewijzen voor een periode van vier weken na heden en het meer of anders verzochte afwijzen. BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betreft de plaatsing in gesloten jeugdzorg na heden en, in zoverre opnieuw beschikkende: machtigt Jeugdzorg om de minderjarige gedurende vier weken na de datum van deze beslissing en derhalve uiterlijk tot en met 3 september 2008 te plaatsen in gesloten jeugdzorg; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige. De rechtbank Maastricht heeft op 25-9-2008 bepaald dat de IndicatieBesluiten van BJZ aan de AwB moeten voldoen. LJN: BF2737, Rechtbank Maastricht , 132122 / OT RK 08-1280 Datum uitspraak: 25-09-2008 Datum publicatie: 25-09-2008 Rechtsgebied: Personen-en familierecht Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie: De kinderrechter stelt voorop dat het indicatiebesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat brengt mee dat verzoekster bij de totstandkoming van het indicatiebesluit onder meer gehouden is de in afdelingen 3.2 en 3.7 van de Awb opgenomen zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten in acht te nemen. Artikel 3:2 van de Awb brengt mee dat verzoekster de moeder in het kader van de voorbereiding van het nieuwe indicatiebesluit had moeten horen. Verder is de kinderrechter van oordeel dat de overwegingen van verzoekster niet bijdragen aan een deugdelijke motivering van het indicatiebesluit, zoals voorgeschreven door artikel 3:46 van de Awb. LJN BG 6538 Rb Maastricht 5-12-2008 (vernietiging IB aangaande UHP) te vinden op: http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx BG6538, Rechtbank Maastricht , 133714 Datum uitspraak: 05-12-2008 Datum publicatie: 11-12-2008 Rechtsgebied: Personen-en familierecht Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie: De gevolgen van het ontbreken van een geldig indicatiebesluit. De mogelijkheid om alsnog een geldig indicatiebesluit te overleggen. De toetsingsnormen voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het indicatiebesluit. Uitspraak RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak: 5 december 2008 Zaaknummer: 133714 / OT RK 08-1566 BESCHIKKING OP VERZOEK VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING UITHUISPLAATSING De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot [naam minderjarige ], geboren te [geboorteplaats -en datum minderjarige], verder te noemen [de minderjarige], kind van: [naam moeder minderjarige], wonende te [adres moeder minderjarige], advocaat mr. E.J.A. Roeleven, en [naam vader minderjarige], wonende te [adres vader minderjarige]. 1. Verloop van de procedure Op 2 oktober 2008 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 21 november 2008. 2. Vaststaande feiten [de minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. Het kind verblijft bij een pleegouder, te weten de grootmoeder van vaderszijde. Bij beschikking van 23 november 2007 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 6 december 2007 laatstelijk verlengd tot 6 december 2008. Bij beschikking van 23 november 2007 van de kinderrechter is de machtiging uithuisplaatsing laatstelijk verlengd tot 6 december 2008. [de minderjarige] verblijft sinds 30 november 2006 bij pleegouders. 3. Verzoek, grondslag en verweer 3.1 Bureau jeugdzorg heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij pleegouders te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.2 Ter onderbouwing van het verzoek heeft bureau jeugdzorg verwezen naar de bij het verzoek gevoegde rapportage. 3.3 Mr. Roeleven heeft namens de moeder gesteld dat er geen bezwaren zijn tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Moeder heeft wel bezwaar tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin teneinde [de minderjarige] aldaar tot haar vijfde jaar de hechtingsfase te laten doormaken. Mr. Roeleven heeft aangegeven dat dit laatste in strijd is met het wettelijk uitgangspunt van de uithuisplaatsing: namelijk bewerkstelligen dat het kind weer thuis geplaatst kan worden bij de ouder(s). Overigens heeft moeder voldaan aan de door de gezinsvoogd gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing van [het andere minderjarige kind van moeder]. Daarnaast heeft moeder maandelijks slechts een uur omgang met [de minderjarige]. Dit is te weinig. [de minderjarige] kan zich niet hechten aan moeder; vervreemdt zelfs van moeder. Mr. Roeleven heeft voorts gesteld dat aan het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing bij pleegouders geen geldig indicatiebesluit ten grondslag is gelegd. 4. Beoordeling Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen. Met betrekking tot het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter als volgt. Ter zitting heeft de moeder onder meer aangevoerd dat het verzoek ten onrechte niet mede is gebaseerd op een geldig indicatiebesluit. De kinderrechter stelt voorop dat uit artikel 1: 261 lid 2 BW volgt dat een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige strekt tot effectuering van een indicatiebesluit waarbij voor de minderjarige de aanspraak op deze vorm van jeugdzorg wordt gevestigd. In verband hiermee wordt in hetzelfde artikelonderdeel voorts bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoekschrift dient te worden overgelegd. Naar het oordeel van de kinderrechter volgt uit deze wettelijke bepalingen dat voor toewijzing van een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige in elk geval is vereist dat het verzoek vergezeld gaat van een geldig indicatiebesluit waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. In deze zaak heeft bureau jeugdzorg bij het verzoek een op 15 oktober 2007 gedateerd indicatiebesluit overgelegd. Dit besluit voorziet onder meer in een voortzetting van de aanspraak van [de minderjarige] op 24-uurs verblijf bij pleegouders. Het besluit is op 16 oktober 2007 in werking getreden. De op dat moment nog lopende aanspraak kwam ten einde op 22 oktober 2007. Met ingang van deze datum is de in het indicatiebesluit van 15 oktober 2007 voorziene zorg aangevangen. Gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 3 in verbinding met artikel 6 lid 1 aanhef en onder c van de Wet op de jeugdzorg vervalt de aanspraak door het verstrijken van de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen. Deze termijn is in het indicatiebesluit van 15 oktober 2007 gesteld op een jaar. Dat heeft tot gevolg dat de aanspraak op de beoogde jeugdzorg ten behoeve van [de minderjarige] op 15 oktober 2008 is komen te vervallen. De moeder heeft zich, bij monde van haar advocaat, verzet tegen het bieden van de mogelijkheid aan bureau jeugdzorg om alsnog een geldig indicatiebesluit te overleggen. Bureau jeugdzorg heeft dat, desalniettemin, nog op de zittingsdag zelf gedaan door per faxbericht een op 21 november 2008 gedateerd indicatiebesluit in te dienen dat op 22 november 2008 in werking treedt. Het besluit vermeldt dat de nieuwe aanspraak op 24-uurs verblijf bij pleegouders aanvangt op 6 december 2008 en dat het besluit geldig is tot 26 maart 2023, de dag voordat [de minderjarige] de 18-jarige leeftijd bereikt. De kinderrechter heeft ernstige bezwaren tegen deze gang van zaken. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat in artikel 1:261 lid 2 BW is bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoekschrift wordt overgelegd. Deze tekortkoming is op zichzelf later niet meer te herstellen. De kinderrechter voegt hier nog aan toe dat bureau jeugdzorg niet heeft gesteld dat er ten tijde van het verzoek al een nieuw indicatiebesluit was, maar dat dit bij vergissing niet bij het verzoek zou zijn overgelegd. Dat neemt niet weg dat de kinderrechter zich situaties kan voorstellen waarin bureau jeugdzorg bij wijze van uitzondering, gelet op het belang van het kind, alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om een geldig indicatiebesluit te overleggen. Het moet dan gaan om noodsituaties die ertoe leiden dat het onverantwoord is dat de aanspraak op de beoogde zorg wordt doorbroken. De kinderrechter is van oordeel dat een dergelijke noodsituatie zich in dit geval niet voordoet. [de minderjarige] verblijft bij haar grootmoeder. Bureau jeugdzorg heeft niet gesteld en ook de kinderrechter acht niet aannemelijk dat de moeder onbezonnen stappen zal nemen door [de minderjarige] meteen bij haar pleegouder weg te halen. De kinderrechter is voorts van oordeel dat ook het nieuwe indicatiebesluit ongeldig, althans onrechtmatig is. Hiertoe wordt het volgende overwogen. In de visie van de wetgever is de kinderrechter gehouden de rechtmatigheid van het indicatiebesluit dat strekt tot uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 1:261 lid 1 BW als voorvraag in de civiele procedure te toetsen (Tweede Kamer 2001-2002, 28 168, p. 52 en 85). De kinderrechter acht het allereerst vrijwel ondenkbaar dat het nieuwe indicatiebesluit op een deugdelijke manier met de ouders en de pleegmoeder is besproken, gelet op het feit dat tussen het einde van de zitting en het moment van toezending van het nieuwe indicatiebesluit aan de rechtbank slechts drie uren zijn verstreken. De kinderrechter overweegt voorts dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6 van de Wet op de jeugdzorg blijkt dat aanspraken voor onbepaalde duur niet gewenst zijn. Belangrijk is dat regelmatig wordt beoordeeld of de betrokken minderjarige nog behoefte heeft aan de geïndiceerde zorg. Uit de bij het verzoek overlegde stukken blijkt dat bureau jeugdzorg weliswaar overweegt [de minderjarige] voor plaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin in aanmerking te brengen, maar dat hierover nog geen besluit is genomen. Gelet hierop komt het op een namiddag, zonder enige betrokkenheid van het multi-disciplinair overleg, oprekken van de aanspraak op 24-uurs verblijf bij pleegouders tot 26 maart 2023 neer op willekeur. De kinderrechter wijst voorts op de memorie van toelichting bij de Wet op de jeugdzorg volgens welke het indicatiebesluit de grondslag is waarop de kinderrechter de beschikking neemt (Tweede Kamer 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 81), op de in artikel 6 van de Wet op de jeugdzorg en hoofdstuk 7 van het Uitvoeringsbesluit op de jeugdzorg gestelde eisen aan de inhoud van het indicatiebesluit en de door de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen met betrekking tot de zorgvuldigheid van de totstandkoming en de motivering van indicatiebesluiten. Deze laatste eisen acht de kinderrechter gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in elk geval geschonden. Al het voorgaande brengt mee dat de kinderrechter het huidige verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] gedurende dag en nacht bij pleegouders afwijst. 5. Beslissing: Verlengt de termijn waarvoor voornoemde minderjarige onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 6 december 2008 voor één jaar. Wijst het verzoek om verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij pleegouders af. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 5 december 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. LJN BJ 9253 Rv. Art. 809 lid 3 jo. Wjz art. 29 Maar… Mag een voorlopige machtiging tot spoeduithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg worden gegeven zonder dat de gedragswetenschapper heeft gesproken met de minderjarige ex art. 29c WJZ en zonder dat de kinderrechter de jeugdige en zijn ouders voor de beslissing hoort? Ja dat mag, vanwege angst voor weglopen van hulp en van ouders. De kinderrechter hoeft ook niet eerst te horen op grond van art. 809 lid 3 Rv “als de gelegenheid waarop de minderjarige zijn mening kenbaar kan maken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.” Zie ook: Hof Den Haag 28 januari 2009, RGR 2009, 56 Hof Den Haag 6 augustus 2008, RFR 2008, 123 Rechtbank Groningen 10 oktober 2008, RFR 2009, 11 Rechtbank Maastricht 4 januari 2008, LJN BC1872. “Hof ‘s-Gravenhage stelde op 6 augustus 2008 hoge eisen aan de motivering door de gedragswetenschapper. Alleen het herhalen van de wettelijke motivering is niet voldoende. … Dat ouders ook niet altijd worden gehoord voorafgaand aan een spoedmachtiging, kan gerechtvaardigd zijn omdat er onvoldoende inzicht is van de ouders in de problematiek danwel de ouders probleemontkenners zijn (zie Rechtbank Groningen en Hof ’s-Gravenhage van 28 januari 2009). …” Uit ‘Rechtspraak Familierecht praktisch bewerkt’ 2009 afl.12 Vernietiging van een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper van BJZ LJN: BE9979, Gerechtshof 's-Gravenhage , 200.007.110 Datum uitspraak: 06-08-2008 Datum publicatie: 05-09-2008 Rechtsgebied: Personen-en familierecht Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Uithuisplaatsing. Plaatsing in gesloten jeugdzorg. Aan instemmingsverklaring van gedagswetenschapper te stellen eisen. Uitspraak GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 6 augustus 2008 Zaaknummer : 200.007.110.01 Rekestnr. rechtbank : J1 RK 08-288 [de minderjarige], thans verblijvende in de Justitiële Jeugdinrichting [naam en plaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de minderjarige, procureur mr. R.A. Kaarls, tegen de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, kantoor houdende te Rotterdam, hierna te noemen: Jeugdzorg. Als belanghebbende is aangemerkt: mevrouw [naam], wonende te Vlaardingen, hierna te noemen: de moeder, procureur: mr. E. Grabandt. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De minderjarige is op 23 mei 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 maart 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. Jeugdzorg heeft op 27 juni 2008 een verweerschrift ingediend. De moeder heeft op 8 juli 2008 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend. Op 16 juli 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat, mr. R.I. van Haneghem, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.D. Leuftink, en namens Jeugdzorg: mevrouw F. Ezinga en mevrouw V.C. Martina. De raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – machtiging verleend de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in gesloten jeugdzorg tot 6 maart 2009. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. In geschil is de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling in gesloten jeugdzorg van de minderjarige voornoemd. 2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (zo begrijpt het hof het beroepschrift:) het verzoek van Jeugdzorg om een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een instelling voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling af te wijzen en voorzover nodig met compensatie van de kosten. 3. Jeugdzorg heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de minderjarige af te wijzen. 4. De moeder heeft verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en (zo begrijpt het hof) het verzoek van Jeugdzorg af te wijzen. 5. De minderjarige stelt dat zij zich niet herkent in hetgeen in het verzoekschrift in eerste aanleg staat vermeld over de duur van haar problemen en de mate daarvan. Daarnaast stelt zij dat het verzoekschrift in eerste aanleg te summier is en de informatie omtrent de situatie van haar te gering om daarop een beslissing te nemen met een dergelijke invloed op haar leven. Ook ontbreekt bij het verzoek een persoonlijkheidsonderzoek waarmee een gedegen beeld wordt gegeven van de problematiek die ten grondslag ligt aan de gedragingen van haar. Daarnaast ontbreekt, zo stelt de minderjarige, een concreet plan van aanpak waarmee inzicht wordt gegeven op welke wijze men wil werken aan een oplossing voor haar problemen. Voorts brengt de minderjarige naar voren dat zij de verklaring van de gedragswetenschapper niet kan plaatsen. Volgens de minderjarige is zij niet onderzocht door een gedragswetenschapper. Daarnaast stelt zij dat de verklaring vaag en algemeen geformuleerd is. Verder stelt de minderjarige dat de rechtbank te snel een machtiging heeft verstrekt voor de duur van een jaar. De rechtbank is hiermee voorbij gegaan aan het gegeven dat een machtiging voor gesloten jeugdzorg een ultimum remedium is. Ter terechtzitting heeft de minderjarige naar voren gebracht dat zij al meerdere malen heeft aangegeven dat zij problemen heeft en hulp nodig heeft. In vier maanden tijd heeft zij nog steeds geen behandeling gekregen. Ook is zij nog steeds niet onderzocht en er is ook nog geen behandelplan opgesteld. Op vrijdag 18 juli 2008 zal worden gestart met een persoonlijkheidsonderzoek. De minderjarige is van mening dat de kinderrechter te snel een machtiging uithuisplaatsing heeft afgegeven voor de duur van één jaar. Zij denkt zelf nog twee à drie maanden nodig te hebben in de instelling voor dat zij naar huis kan. Tot slot brengt de minderjarige naar voren dat zij voorafgaand aan het gesprek met de gedragsdeskundige niet is geïnformeerd over het doel van het gesprek en dat het gesprek hooguit twintig minuten heeft geduurd. 6. Jeugdzorg stelt dat er sprake is van ernstige opvoedings- en gedragsproblemen, die de ontwikkeling van de minderjarige naar de volwassenheid ernstig belemmeren. De minderjarige is zowel thuis, op school, als in de crisisopvang niet meer hanteerbaar gebleken. Dwingend ingrijpen was en is noodzakelijk om verder afglijden te voorkomen en om de minderjarige en de omgeving te beschermen. Verder betwist Jeugdzorg dat het verzoekschrift in eerste aanleg niet kan dienen als een verzoek zoals uiteindelijk is toegewezen. Het verzoekschrift was een verzoek tot gesloten plaatsing, zij het voor vier weken. Ter terechtzitting is mondeling verzocht om de duur te verlengen. Voorts brengt Jeugdzorg naar voren dat er geen persoonlijkheidsonderzoek nodig is om een verzoek tot een gesloten plaatsing aan te vragen. Thans is wel een dergelijk onderzoek aangevraagd en er heeft inmiddels een intelligentieonderzoek van de minderjarige plaatsgevonden. Ook heeft er op 11 maart 2008 een onderzoek plaatsgevonden door een gedragswetenschapper, welk onderzoek voldoet aan de wettelijke eisen. Verder beaamt Jeugdzorg dat een concreet plan van aanpak ontbreekt. Bij een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging (hetgeen Jeugdzorg oorspronkelijk verzocht) is een dergelijk plan niet direct nodig. Op 7 april 2008 is er een plan van aanpak vastgesteld en verstuurd naar de moeder en de minderjarige. Jeugdzorg stelt verder dat de minderjarige voldoende tijd nodig heeft om aan haar problemen te werken en dat zeker een jaar nodig is voor er een behandelplek en behandeling beschikbaar zijn en deze behandeling positief is afgerond. Wat betreft de verklaring van de gedragsdeskundige stelt Jeugdzorg dat deze verklaring is opgesteld volgens het protocol en de vaste richtlijnen van Jeugdzorg die door de jurist van Jeugdzorg, in samenwerking met een gedragsdeskundige zijn opgesteld. 7. De moeder onderschrijft hetgeen de minderjarige in haar beroepschrift en ter terechtzitting bij het hof naar voren heeft gebracht. In incidenteel appel stelt de moeder dat de kinderrechter ten onrechte een machtiging heeft verstrekt tot plaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting tot 6 maart 2009. De moeder is van mening dat een op te leggen maatregel niet verder dient te strekken dan noodzakelijk is. De omstandigheid dat de minderjarige zeer veel moeite heeft met haar plaatsing, hetgeen als risicofactor is aan te merken, is volgens de moeder onvoldoende grond om een machtiging tot plaatsing in een gesloten inrichting af te geven. Verder betoogt de moeder dat de kinderrechter de door Jeugdzorg overgelegde verklaring van een gedragswetenschapper ten onrechte aanmerkt als een verklaring in de zin van artikel 29b lid 5 Wet op de Jeugdzorg. De moeder stelt – kort samengevat – dat de gedragswetenschapper in dit geval, onder deze omstandigheden (waarin Jeugdzorg aan de gedragsdeskundige, die in dienst is van Jeugdzorg, om een verklaring vraagt om de minderjarige gesloten te kunnen plaatsen) niet tot een objectief oordeel kan komen. Er is sprake van belangenverstrengeling. Voorts stelt de moeder vraagtekens bij de wijze waarop het onderzoek door de gedragswetenschapper is uitgevoerd. Daarnaast is de verklaring van de gedragswetenschapper volgens de moeder in te algemene termen opgesteld. De verklaring leidt tot een doorkruising van het recht van de minderjarige op een eerlijke behandeling ex artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) jo artikel 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en subsidiair op artikel 8 EVRM, aldus de moeder. 8. Het hof overweegt als volgt. De grieven van de minderjarige richten zich onder meer tegen het als zodanig in aanmerking nemen van de verklaring van de gedragswetenschapper. Zij is van mening niet door een gedragswetenschapper te zijn onderzocht en stelt dat de overgelegde verklaring zich kenmerkt door vage algemeenheden waarbij op geen enkele wijze duidelijk wordt wat de gedragswetenschapper tot de conclusie leidt. Ook bestrijdt de minderjarige dat de kinderrechter de machtiging heeft verleend voor de duur van een jaar, waar een machtiging voor beperkter duur in afwachting van nadere informatie meer in de rede had gelegen. De grieven van de moeder komen op deze punten in hoofdlijn met die van de minderjarige overeen, waaraan zij toevoegt dat de gedragswetenschapper bij Jeugdzorg in dienst is en derhalve niet objectief is. 9. Het hof overweegt omtrent een en ander als volgt. 10. Ingevolge artikel 29b, derde lid van de Wet op de Jeugdzorg kan een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie, ongeacht zijn instemming daarmee (hierna ook: gesloten jeugdzorg), slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, de betrokken stichting heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid zich voordoet en met die verklaring is ingestemd door een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 11. Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het voorstel tot invoering van deze wettelijke bepalingen (EK 2007-2008, 30644, D d.d. 13 november 2007, mede in verband met de nadere uitleg van de daarin gebezigde terminologie bij de brief van de minister voor Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer d.d. 27 februari 2008, TK 2007-2008, 30644, nr. 27), waarborgt de instemming van een gedragswetenschapper dat wordt vastgesteld dat de beperking van de vrijheid nodig is in verband met de opvoeding en opent zij aldus de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing zonder welke aan de door het EVRM aan vrijheidsontneming gestelde eisen niet is voldaan. Op grond van een en ander concludeert het hof dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg is omgeven en is het op grond daarvan van oordeel dat deze bepaling strikt moet worden toegepast. 12. In de onderhavige zaak heeft Jeugdzorg ter onderbouwing van haar (eerst ter terechtzitting van de kinderrechter in een verzoek tot verlening van een machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van voornoemde wet gewijzigde) op 7 maart 2008 ingediende verzoek tot voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c van voornoemde wet gesteld dat plaatsing van de minderjarige noodzakelijk is wegens een ernstig vermoeden dat (kort gezegd) een situatie bestaat zoals bedoeld in artikel 29b, derde lid van voornoemde wet. Blijkens de in zoverre niet bestreden beschikking, heeft Jeugdzorg bij op 14 maart 2008 ter griffie van de kinderrechter ingekomen brief een verklaring overgelegd dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de Jeugdzorg, met instemming van de gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Deze brief bevindt zich echter niet bij de door de minderjarige in hoger beroep overgelegde stukken, maar aan dit gebrek komt in verband met hetgeen hierna wordt overwogen geen betekenis toe. 13. Bij de stukken bevindt zich wel een op 11 maart 2008 gedateerde verklaring, getiteld: "instemming gesloten plaatsing" van mevrouw drs. A.E. Vermeulen, als gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, blijkens welke zij op 11 maart 2008 [de minderjarige], geboren op [geboortedatum], heeft onderzocht en inhoudende: "Ik verklaar dat ik de jeugdige heb onderzocht en stem in dat het geval zich voordoet als in het 3e lid van artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg. Er is sprake van ernstige opvoeding- en ontwikkelingsproblemen die de ontwikkeling naar de volwassenheid ernstig belemmeren. Naar mijn mening is het daarom noodzakelijk dat deze jeugdige in een gesloten jeugdzorginstelling wordt geplaatst, om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken." Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg zich onweersproken op het standpunt gesteld dat deze verklaring de verklaring van instemming is die aan de kinderrechter is overgelegd, zodat het hof daar ook van uit gaat. Het hof stelt allereerst vast dat uit de in zoverre niet bestreden inhoud van deze verklaring blijkt dat mevrouw Vermeulen op grond van artikel 1, aanhef en onder het derde gedachtestreepje van de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg is aan te merken als gedragswetenschapper in de zin van artikel 29b, vijfde lid van de Wet op de Jeugdzorg, alsmede dat zij de minderjarige kort tevoren met het oog op deze verklaring heeft onderzocht. Voorts moet op voet van eerdergenoemde brief van de minister van Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer d.d. 27 februari 2008 worden geoordeeld dat het enkele feit dat de gedragswetenschapper bij Jeugdzorg in dienst is niet afdoet aan de aan haar verklaring toe te kennen objectiviteit. Dat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling is niet onderbouwd, zodat het hof aan die grief verder voorbijgaat. Het hof stelt echter ook vast dat deze verklaring van de gedragswetenschapper geen instemming inhoudt met een verklaring van jeugdzorg dat zich een geval als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg voordoet. De gedragswetenschapper verklaart immers in te stemmen dat het in die bepaling bedoelde geval zich voordoet maar verklaart niet dat zij instemt met een verklaring van Jeugdzorg dat zich een dergelijk geval voordoet. Reeds om deze reden voldoet de overgelegde verklaring van de gedragswetenschapper aan het voorschrift artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de Jeugdzorg niet. Ook aan de strekking van dit voorschrift wordt niet voldaan, nu deze verklaring iedere argumentatie met controleerbare en verifieerbare feiten en omstandigheden ontbeert, de gedragswetenschapper zich daarin beperkt tot het presenteren van haar mening middels herformulering van de wettelijke terminologie en zodoende de met dit voorschrift beoogde rechterlijke toetsing van de voorgenomen vrijheidsontneming onmogelijk maakt. Dat de gedragswetenschapper over de vereiste deskundigheid beschikt doet hieraan niet af, omdat het derde lid van meerbedoeld artikel 29b duidelijk maakt dat de ter voldoening aan het EVRM in de wet opgenomen rechterlijke toetsing vergt dat de kinderrechter zelf tot het oordeel komt dat aan het wettelijk criterium is voldaan. 14. De grieven van de minderjarige treffen dan ook gedeeltelijk doel, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. 15. Nu de kinderrechter op grond van de door Jeugdzorg overgelegde bescheiden en aangevoerde argumenten ten hoogste zou hebben kunnen komen tot verlening van een voorlopige machtiging voor de duur van vier weken en het appel zich niet zozeer richt tegen de machtiging tot opneming in gesloten jeugdzorg zelf, maar tegen de in verhouding tot de situatie van de minderjarige lange termijn waarvoor zij is verleend, zal het hof de bestreden beschikking met ingang van heden vernietigen en het inleidend verzoek voorzover daarop nog moet worden beslist toewijzen voor een periode van vier weken na heden en het meer of anders verzochte afwijzen. BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betreft de plaatsing in gesloten jeugdzorg na heden en, in zoverre opnieuw beschikkende: machtigt Jeugdzorg om de minderjarige gedurende vier weken na de datum van deze beslissing en derhalve uiterlijk tot en met 3 september 2008 te plaatsen in gesloten jeugdzorg; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2008. Gewoon bezwaar maken tegen een indicatiebesluit!! Bevoegdheid Centrale Raad bij indicatiestelling op grond van Wet op de jeugdzorg In een uitspraak van 29 april 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep beslist dat tegen een indicatiebesluit, na bezwaar bij Bureau jeugdzorg, beroep kan worden ingesteld bij de kinderrechter, en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Geen hoger beroep kan worden ingesteld indien een dergelijk (indicatie)besluit feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling (o.t.s.) en uithuisplaatsing van een minderjarige. In een dergelijk geval moet de kinderrechter (als civiele rechter) de rechtmatigheid van dat besluit toetsen in het kader van de procedure tot o.t.s. en uithuisplaatsing. Ingeval tegen een (indicatie)besluit dat feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toch bezwaar wordt gemaakt, zal Bureau Jeugdzorg dit niet-ontvankelijk moeten verklaren. Tegen dat besluit op bezwaar kan (wel) beroep worden ingesteld bij de kinderrechter (als bestuursrechter), met de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. (CRvB 29 april 2008, LJN BD1113) FJR 7/8 1008 pag. 142. Ga terug |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||