Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Heel Nederland heeft baby Hendrikus en zijn ouders op de televisie gezien

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>
Door de vertegenwoordigsters van de Raad is ter zitting – kort samengevat – gesteld dat
de Raad zich primair op het standpunt stelt dat een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg dient te worden afgegeven. De Raad acht de plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin het meest in zijn belang, nu de ouders naar het oordeel van de Raad niet in staat zijn de minderjarige adequaat op te voeden. De minderjarige zal zich het het beste ontwikkelen in een pleeggezin. ...
...
De rechtbank overweegt als volgt
Ter beoordeling ligt voor of de uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, gelet op het bepaalde in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
...

Juist, de vraag behoort niet te zijn of uithuisplaatsing misschien beter is, maar of uithuisplaatsing NOODZAKELIJK is.
Ga terug