Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Grootpleegouders

Nuttig om te weten >>
Als grootouder kan men niet heel veel, als pleegouder wel.

Proefschrift van mevrouw E.C.C. Punselie, Voor een pleegkind met recht een toekomst, een studie naar de (rechts)positie van (pleeg)ouders en (pleeg)kinderen in geval van langdurige uithuisplaatsing (15 maart 2006). ISBN 9013033288
Het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht (FJR) van juni 2006 zegt daarover:

“De verdienste van Punselie is, dat zij een uitstekende samenvatting geeft van de ontwikkelingen … en een prima overzicht van publicaties op het terrein van de pleegzorg.
…Na een uitvoerige discussie binnen de werkgroep kinderrechters is in 1990 overeenstemming bereikt over de noodzaak om bij jonge kinderen (tot de leeftijd van 6 jaar), die met het uitspreken van de (voorlopige) ots uithuis zijn geplaatst, direct bij deze uitspraak met ouders en gezinsvoogdij-instelling de heldere afspraak te maken, dat alle hulp en steun er op gericht diende te zijn, dat de ouders binnen het eerste jaar de kans kregen om de opvoeding en verzorging van het kind weer zelf ter hand te nemen. … Slaagde deze opzet niet, dan werd de Raad na dat eerste jaar ingeschakeld en kon na 1,5 jaar in beginsel een verderstrekkende maatregel worden uitgesproken. Na de wetswijziging van 1995, waarbij de beleidsmatige rol van de kinderrechter ophield te bestaan, is deze visie onverkort door de pleegzorg overgenomen.”


Vrijwillige plaatsing / gedwongen plaatsing (plaatsing na machtiging kinderrechter)

Gemeenschappelijke angst: wordt het kind weer weggehaald?
Bij vrijwillige plaatsing: weggehaald door de ouders of door een voogd (kan instantie zijn).
bij gedwongen plaatsing: weggehaald door een instantie.

Bescherming bij vrijwillige plaatsing door het blokkaderecht, artikel 1:253s BW:
1. Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.
2. Voor zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan.
Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.

Als de voogdij berust bij bijvoorbeeld een bureau jeugdzorg kan men beroep doen op het blokkaderecht, artikel 1:336a BW, (bovendien kunnen de pleegouders dan de rechter verzoeken zelf tot voogden te worden benoemd artikel 1:299a):
336a: 1. Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.
2. Voor zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige acht. (1:299a)
3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, van dit boek aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beschikt.

Artikel 299a:
1. Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij – ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de kinderrechter verzoeken hem, …, tot voogd te benoemen.

Zie ook uitspraak Rechtbank Utrecht van 1 juli 2005:
“In juni 2005 deelt BJZ aan pleegouders mee dat het kind elders zal worden ondergebracht, zulks n.a.v. een conflict tussen pleegouders en BJZ over een wijziging van een omgangsweekeinde. … De pleegouders hebben geen toestemming gegeven voor deze wijziging van het verblijf. BJZ heeft evenmin aan de rechtbank vervangende toestemming verzocht. De vordering van de pleegouders strekt tot het geven van een bevel dat BJZ uiterlijk op 2 juli 2005 haar medewerking zal verlenen aan de afgifte van het kind, teneinde hen in staat te stellen hun zorg voor het kind te hervatten, zulks op verbeurte van enzovoort. … De voorzieningenrechter is van oordeel dat BJZ niet heeft voldaan aan het bepaalde in art. 1:336a BW op grond waarvan BJZ voorafgaand aan de genoemde overplaatsing toestemming had moeten vragen en verkrijgen van de pleegouders, zodat de bedoelde overplaatsing door BJZ onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Reeds op grond daarvan zal de vordering worden toegewezen.”



Bescherming bij gedwongen plaatsing niet door het blokkaderecht, hoewel in FJR van november 2006 het volgende te lezen was: “Bij brief van 8 juni 2006 heeft de Minister van Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over het programma Beter Beschermd en de uitwerking daarvan in de praktijk. … Op deze drie onderdelen (wetgeving, samenwerking in de keten en uitvoering) richten zich dan ook de projecten van het programma met de volgende doelen: …
3a Het belang van het kind centraal. Het belang van het kind – in de zin van onbedreigd opgroeien - zal bij alle afwegingen leidend zijn, bijvoorbeeld bij de keuze voor een gezagsbeperkende of gezagsontnemende maatregel. …
c Verbetering van de rechtspositie van belanghebbenden. De rechtspositie zal zo worden vormgegeven, dat de meeste rechten toekomen aan de feitelijk verzorgers van de minderjarige, bijvoorbeeld de pleegouders. Het zal moeilijker worden een uithuisplaatsing in het kader van de o.t.s. tegen het advies van de feitelijke verzorgers in, af te breken. Dit kan onder meer door ook in o.t.s.-zaken gebruik te maken van het zogenaamde ‘blokkaderecht’.”


In geval van nood kan men de rechter hierop wijzen, vergelijk een uitspraak van een rechter in een vreemdelingenzaak na de recente perikelen in de Tweede Kamer: hij hield rekening met wat waarschijnlijk binnenkort wet wordt.


Een pleeggezinplaatsing van een kind op grond van een machtiging van de kinderrechter wordt dus nog niet beschermd door het blokkaderecht,
Merkwaardigerwijs kan het wel zo liggen: ots met uhp, gedwongen plaatsing dus, daarna ontheffing van het gezag van de ouders en voogdij van bijvoorbeeld een bureau jeugdzorg. Dan is de pleeggezinplaatsing na al deze rechterlijke tussenkomst een vrijwillige plaatsing geworden. Er is dan namelijk sprake van een pleeggezinplaatsing door een voogd (bureau jeugdzorg) die het kind zonder dat daarvoor machtiging van de kinderrechter nodig is, in een pleeggezin plaatst.
maar wel door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het EVRM,
en door het Verdrag inzake de rechten van het kind, het IVRK.
artikel 8 IVRK lid 3 De zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, … . Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.
artikel 20 IVRK De tweede volzin van artikel 20 lid 3 stelt dat de Staten die partij zijn bij de vormgeving van hun zorgplicht op passende wijze rekening dienen te houden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind enzovoort.
(proefschrift van Sharon Detrick, A commentary on the United Nations Convention on the Rights of the Child, pag. 791 e.v., Nederlandse samenvatting. Martinus Nijhoff publishers, 1999)

Het volgende sloeg op grootouders die geen pleegouders waren maar wier kleinkind in een ander pleeggezin werd opgevoed. Zij wilden overplaatsing van hun kleinkind naar henzelf, na een verblijf van 2 jaar in het pleeggezin.
“Het recht van grootouders is niet gelijk aan het recht van ouders. De band tussen ouders en kind wordt als fundamenteel beschouwd, vloeit direct voort uit de familierechtelijke verhouding en wordt beschermd door art. 8 EVRM. De enige uitzondering op de bescherming van deze band tussen ouder en kind vormt het belang van het kind zelf. De band tussen grootouder en kleinkind wordt niet per definitie beschermd door art. 8 EVRM. Het bestaan van een nauwe en persoonlijke band in die situatie moet worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden. Eerst op het moment dat de aanwezigheid van die band wordt aangetoond, kan deze worden beschermd door art. 8 EVRM. …
De benoeming van een voogd door de rechter en het verzoek daartoe zijn geregeld in art. 1:299 BW. … In dit geval is sprake van voogdij van een rechtspersoon …
De wet regelt niet als zodanig in een voorschrift de wijziging van de voogdij. Uit de wet kan evenwel worden afgeleid dat een verzoek tot wijziging van de voogdij kan worden gedaan door
- een of beide ouders (art. 1:281 lid 1 onder b BW)
- de pleegouders (art. 1:299a) en
- door bloed- en aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming en belanghebbenden indien sprake is van voogdij die wordt uitgeoefend door een rechtspersoon en deze rechtspersoon door fusie of splitsing ophoudt te bestaan (…). (Grootouders kunnen dan dus alleen de voogdij aanvragen als de rechtspersoon die voogd is ophoudt te bestaan. Maar)
“Dan is vervolgens de vraag aan de orde of desalniettemin een verzoek tot wijziging van de voogdij door de grootouders moet worden toegekend op basis van de internationale verdragen.
Door de grootouders is in dit verband een beroep gedaan op art. 8 EVRM, waarin het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven is verankerd alsmede op de art. 8, 20 en 27 IVRK.
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kent bijzondere betekenis toe aan de band tussen ouder en kind, … Daarnaast komen volgens het EHRM in beginsel ook de betrekkingen tussen naaste bloedverwanten als grootouders en kleinkinderen voor bescherming ingevolge art. 8 EVRM in aanmerking. Het bestaan van een gezinsleven, dat de bescherming geniet van art. 8 EVRM, hangt echter voornamelijk af van de daadwerkelijk bestaande en uitgeoefende familieband.
Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat tussen grootouders en kleinkinderen gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM kan bestaan. (HR 15 mei 1987, HR 23 maart 1991, HR 25 juni 1993, HR 19 november 1993, HR 17 december 1993)
De bescherming waarop de grootouders aanspraak kunnen maken, is echter niet gelijk aan die van de ouders. …
Art. 8 EVRM garandeert de (groot)ouders evenwel geen absoluut recht op opvoeding en omgang. Blijkens rechtspraak van het EHRM gaat bij de afweging van de belangen van het kind en van die van de (groot)ouders het belang van het kind voor. …
Het belang van het kind kan meebrengen dat het gezinsleven van art. 8 EVRM tussen de (groot)ouders en het kind moet wijken voor het gezinsleven met de pleegouders, omdat het voor het kind beter is om in het laatste gezin te verblijven. In soortgelijke belangenafweging tussen ouders en grootouders en (groot)ouders en pleegouders, heeft het EHRM gewicht toegekend aan de duur van het verblijf van een kind in het gezin en de gehechtheid van het kind met het gezin en de schade die het kind oploopt door scheiding van het gezin waarin het is opgevoed en verzorgd.”
(Rechtspraak Familierecht 24 september 2005)

Zie ook de map Jurisprudentie onder het kopje ‘Grootouders’.



Officiële pleeggrootouders krijgen pleegzorgvergoeding, maar als zij daarna de voogdij aanvragen, kunnen zij voor onaangename verrassingen komen te staan.

Als u uw kleinkind als pleegkind verzorgt, zijn er vier mogelijkheden van het gezag:
1) u hebt niet het gezag; het gezag berust bij de ouders of bureau jeugdzorg
2) een van u beiden heeft het gezag
3) u hebt samen het gezag
4) u hebt alleen het gezag omdat u geen partner (meer) hebt.

U moet rekenen voordat u het gezag vraagt bij de rechter:
1) zolang het gezag niet bij een van u tweeën berust, krijgt u geen kinderbijslag, maar wel de basisvergoeding pleegzorg, en hebt u recht op bijzondere vergoedingen (schoolgeld, leermiddelen, reiskosten voor onderwijs en bijzondere medische kosten).
2) als u een van beiden het gezag hebt, krijgt u geen kinderbijslag, wel de basisvergoeding pleegzorg, maar hebt u geen recht meer op bijzondere vergoedingen.
3) als u samen het gezag hebt, krijgt u alleen nog kinderbijslag.
4) als u alleenstaand bent, krijgt u met gezag alleen nog kinderbijslag.
Zolang er dus maar één pleegouder is die geen gezag heeft, is er recht op de basisvergoeding.

Op 16 maart 2006 heeft het Hof ’s-Gravenhage de uitspraak gedaan nadat de Staat in hoger beroep was gegaan tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter in Den Haag, dat pleegouder/voogden die recht hebben op de basisvergoeding ook recht hebben op vergoeding van bijzondere kosten.
Als u in deze situatie bent kan het dus de moeite lonen met beroep op deze jurisprudentie de rechter te benaderen.

Een grootouder zonder partner zou moeten proberen de rechter ervan te overtuigen dat zij, als alleenstaande grootouder/pleegouder, recht heeft op pleegvergoeding (in ieder geval basisvergoeding). De omstandigheid dat uw partner bijvoorbeeld is overleden mag toch niet met zich meebrengen dat u, als u het gezag over uw pleegkind krijgt, zelfs niet meer in aanmerking komt voor de basisvergoeding. Dit riekt naar discriminatie op grond van burgerlijke staat. Welke politieke partij spant zich hiervoor in?
Als u alleenstaand bent, het gezag over uw pleegkind hebt gekregen en alleen van AOW moet rondkomen, valt u wel in het aparte AOW-tarief voor alleenstaanden met de zorg voor een minderjarige.



De Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen heeft in Perspektief oktober 2007 ook het probleem van wel of niet pleegvergoeding aangesneden. Hieruit de volgende punten:
Een pleegvergoeding is er alleen bij de enkelvoudige voogdij.
Als er gebruik wordt gemaakt van een persoonsgebonden budget wordt dat niet gekort op de pleegvergoeding.
De pleegvergoeding is een onkostenvergoeding en telt niet mee m.b.t. het inkomen van de pleegouder-voogd.
Als er pleegvergoeding wordt gegeven is er geen kinderbijslag.
Bij studiefinanciering worden de pleegkinderen bij pleegouder-voogden beschouwd als uitwonend, net zo als andere pleegkinderen, en ontvangen dus de hogere studiefinanciering.
Enkelvoudige voogdij kent geen onderhoudsplicht t.a.v. het pleegkind, de gezamenlijke voogdij wel.
Het Hof in Den Haag heeft beslist dat de Staat aansprakelijk is voor de kosten van levensonderhoud en verzorging van kinderen waarvan de ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet. Dat betekent dat de Staat aangespoord wordt om er zo snel mogelijk voor te zorgen dat pleegouders, dus ook pleegouder-voogden, de noodzakelijke kosten, die zij voor hun pleegkind maken, vergoed krijgen.
Minister Rouvoet heeft in 2007 een voorkeur voor pleegouder-voogdij met volledige facilitering uitgesproken bij een gezagsontnemende maatregel.


Zie in FJR juni 2006 Rechtbank Utrecht 10 augustus 2005:
“De minderjarige is op 21 december 2000 onder toezicht gesteld. De ots is steeds verlengd, laatstelijk op 28 januari 2005 tot 21 december 2005. Eveneens op 21 december 2005 is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg. Ook de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is steeds verlengd, en wel laatstelijk tot 21 december 2004.
BJZ heeft op 11 november 2004 een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een residentiele instelling. …
De pleegouders hebben op 11 mei 2005 een schriftelijk verzoek gedaan tot terugplaatsing van de minderjarige bij hen. … Dit verzoek dient te worden gelezen als een verzoek tot afwijzing van het verzoek van BJZ tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiele voorziening en voorts tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in hun gezin.
Op grond van art. 1:261 BW kan een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing slechts worden gedaan door de Stichting Bureau Jeugdzorg enzovoort.
Wanneer echter sprake is van gezinsleven van de pleegouders met het kind als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM is het feit dat niet aan de rechter gevraagd kan worden het kind terug te plaatsen in hun gezin en aldus hun gezinsleven met het kind te herstellen een ongeoorloofde beperking van het door art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. Nu de minderjarige, zodra zij na haar geboorte het ziekenhuis kon verlaten bij de pleegouders is geplaatst en daar tot in het najaar van 2005, inmiddels 4 jaar oud, heeft gewoond, staat voldoende vast dat tussen hen en de minderjarige sprake is van gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.
Dit klemt temeer nu er geen sprake is geweest van een intensief contact met de eigen ouders, waardoor de minderjarige pleegouders als haar ouders is gaan beleven.”

Rechtbank Den Haag 18 juli 2006:
Gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag; hoewel de vader (de moeder is reeds ontheven) een verklaring heeft ondertekend waarin hij toezegt zich ook in de toekomst niet te zullen verzetten tegen een verzoek tot ots en machtiging uhp is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarige om duidelijkheid omtrent zijn toekomst te krijgen van zwaarwegender belang is; art. 8 EVRM; art. 3 lid 1 en art. 20 IVRK; art. 1:268 BW.
“De rechtbank acht de ter terechtzitting door de vader uitgesproken instemming met het verblijf van het kind in het pleeggezin op zich niet voldoende om de dreiging af te wenden. Immers, het kind heeft belang bij een onbelemmerde voortzetting van de (opvoedings)-relatie die hij heeft met zijn pleegzusje en familie en duidelijkheid daarover. De rechtbank zal derhalve de vader ontheffen van het ouderlijk gezag. Voorts kan een ots reeds daarom het beoogde doel niet dienen omdat blijkens art. 1:257 lid 1 en 2 BW de taak van de gezinsvoogd is om hulp te bieden aan de met het gezag belaste ouder.
(FJR oktober 2006)


Is gezamenlijk gezag van een alleen met het gezag belaste ouder en een grootouder op grond van art. 1:253t BW mogelijk? Familiekamer Hof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2006:
Niet valt in te zien waarom er verschil gemaakt zou moeten worden tussen het gezamenlijk gezag van een gezagsouder met een broer, zus of oom en het gezamenlijk gezag van een gezagsouder met een grootouder. Het maakt wel een groot verschil of het kind ten tijde van indiening van het verzoek tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder. In dat geval gelden namelijk de aanvullende vereisten van art. 253t lid 2 sub a BW (gezamenlijke verzorgingstermijn van een jaar) en sub b (drie jaar alleen gezag voor ouder). Overigens blijkt ook uit deze uitspraak weer hoe belangrijk het voor advocaten is om in het verzoekschrift aandacht te besteden aan de wijze waarop het kind de relatie met ‘de ander dan de ouder’ ervaart. Dat kan in sommige gevallen van doorslaggevende betekenis zijn.
“Naar het oordeel van het hof is gezamenlijk gezag van een ouder met een grootouder op zichzelf mogelijk. Adoptie betreft een geheel andere rechtsfiguur … Het is geen vereiste dat de ouder en de ander dan de ouder het kind in een gezinsverband verzorgen. De nauwe persoonlijke betrekking is bepalend. Het verzoek kan worden gedaan door een ouder met een persoon die in een familierechtelijke betrekking tot de ouder staat, ook zonder dat zij samenwonen. De persoon kan dus tevens een broer, een zus of bijvoorbeeld een oom zijn. Er behoeft ook geen noodzaak aan het verzoek ten grondslag te liggen. De wens van de verzoekers is voldoende. Gebleken is dat de moeder en de oma de minderjarige zoon al vanaf zijn geboorte samen verzorgen en opvoeden en er sterke affectieve banden tussen hen bestaan. Feitelijk oefenen de moeder en de oma al samen het gezag over de minderjarige zoon uit. Deze situatie wensen zij om praktische redenen te formaliseren. Nu gebleken is dat het met de minderjarige zoon erg goed gaat, is het hof van oordeel dan zijn belangen, mede in het licht van de belangen van de vader, geenszins worden verwaarloosd bij toewijzing van het voorliggende verzoek.”
(Rechtspraak Familierecht 24 juni 2006)


Ga terug