![]() |
||||
|
||||
|
|
Persmededeling van KOG Haarlem, 15 juli 2009 Volgens de wet worden in het personen- en familierecht de zaken in geheime processen (“met gesloten deuren”) behandeld. Het Ministerie van Justitie verkent nu een fundamentele aanpassing van die wettelijke bepaling aan de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 september 2006 in de zaak Moser tegen Oostenrijk. Dit blijkt uit een mededeling van het Ministerie van Justitie, Directie Wetgeving, aan de Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders (brief d.d. 14 juli, kenmerk 5611033/09/6). Stichting KOG heeft sedert de bekendwording van de Oostenrijkse zaak de minister bestookt met brieven waarin gewezen werd op de discrepantie tussen de Nederlandse wet en de rechtsopvatting van het Europese Hof, naar nu blijkt met succes. Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens verbiedt geheime processen. Een inbreuk op dat verbod werd door Nederland altijd gerechtvaardigd met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Waarom dat dan niet in de rest van het burgerlijk recht en in het strafrecht zou gelden werd nooit verklaard. Het argument van persoonlijke levenssfeer gaat voorbij aan het fundamentele belang in een democratische samenleving van openbare controle op de rechtspraak. Die openbare controle wordt nu nog in het personen- en familierecht onthouden aan burgers. Oudergroeperingen klagen dat deze geheime processen rechteloosheid, willekeur van rechterlijke beslissingen, en totaal ontbreken van waarheidsvinding in de hand werken. Zij signaleren te grote macht bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Bureaus Jeugdzorg, wier “mening” vaak voldoende is als basis voor welke beslissing dan ook, met grote misstanden tot gevolg. Wetswijziging conform het Europees Verdrag zal daar verandering in brengen. Haarlem, Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders Truus Barendse-Cornelissen, secretaris Tel: 023 - 532 12 23 Op 1 oktober 2009 heeft de Minister van Justitie gemeld in antwoord op de brief van KOG d.d. 14 september 2009: “Ik kan u berichten dat dit onderzoek inmiddels is afgerond en dat op dit moment een voorstel van wet tot aanpassing van artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in voorbereiding is. U kunt de voortgang van het traject volgen via www.justitie.nl/wetgeving , waar bijvoorbeeld voorontwerpen van wet worden gepubliceerd.” Het Ministerie van Justitie heeft op 15 maart 2010 geschreven aan KOG (kenmerk 5646509/10/6): “… In aansluiting op mijn brief van 1 oktober 2009, deel ik u mede dat het wetsvoorstel tot aanpassing van het beginsel van openbaarheid in personen en familierechtzaken van artikel 308 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vandaag in consultatie is gegaan. U treft het conceptwetsvoorstel aan op de website van het Ministerie van Justitie http://www.internetconsultatie.nl/wijziging_openbaarheidsbeginsel_familierechtzaken. U kunt tot 15 mei a.s. uw schriftelijke reactie … op dit wetsvoorstel geven.” Reactie van Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders op het concept-voorstel van wet dat wijziging van artikel 803 Rv beoogt. (verzonden 22 maart 2010) Het concept gaat uit van een verkeerd principe. Hoewel het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in 2006 in de zaak Moser tegen Oostenrijk heeft bepaald dat behandeling achter gesloten deuren in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, perkt voorliggend concept de openbaarheid nog steeds in door de beslissing over de openbaarheid bij de rechter te leggen die dan haast niet anders kan dan deze tegen te houden. De regel behoort te zijn dat alle personen- en familiezaken, dus kort geding of geen kort geding, in openbaarheid worden behandeld, waarbij alleen de betrokken rechtzoekenden vooraf kunnen verzoeken voor zich en voor hun kinderen de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. De rechter voldoet altijd aan dit verzoek van een ouder en kan bovendien tijdens de zitting de openbaarheid opheffen gezien het dan behandelde. Deze reactie mag gepubliceerd worden. Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris Koninginneweg 90 2012 GR Haarlem 21 september 2006, appl.nr. 12643/02 Kinderbeschermingsmaatregel. Art. 8 EVRM. Recht op eerbiediging familieleven. Procedurele eisen. Betrokkenheid van de moeder bij de procedure tot ontneming van het ouderlijk gezag. Schending art. 8 EVRM. Art. 6 EVRM. Equality of arms. Onmogelijkheid om op rapporten te reageren. Geen openbare behandeling en geen openbare uitspraak. Driemaal schending art. 6 EVRM. (EVRM art. 6 lid 1, 8, 14, 41) Moser, tegen Oostenrijk A. Feiten Klagers zijn moeder en zoon, van Servische afkomst. Sinds 1991 verblijft de moeder in Oostenrijk, aanvankelijk rechtmatig, vanaf 1999 illegaal. Haar zoon werd op 8 juni 2000 geboren in Wenen. Een dag later beval de Weense Raad voor de Kinderbescherming de scheiding van moeder en kind en plaatsing in een pleeggezin. De reden was de onzekere persoonlijke en financiële situatie waarin de moeder zich bevond, mede vanwege haar illegale status. Enige tijd later werd haar het gezag over het kind ontnomen en de omgang zeer beperkt. B. Procedure Op 13 maart 2002 dienen Zlatica en Luca Moser een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zij stellen dat de overdracht van het gezag over de tweede klager aan de Weense Raad voor de Kinderbescherming een schending is van het recht op respect voor hun familieleven, zoals beschermd door art. 8 EVRM, aangezien de eerste klager nauwelijks betrokken is geweest in de betreffende rechterlijke procedure. Bovendien stellen zij dat in deze procedure diverse waarborgen uit art. 6 EVRM niet in acht zijn genomen (equality of arms, recht op openbare behandeling en recht op openbare uitspraak). Ten slotte klagen zij over een schending van art. 14 juncto art. 8 EVRM, aangezien zij vanwege hun Servische nationaliteit niet gezamenlijk in een centrum voor moeders en jonge kinderen zouden zijn geplaatst. C. uitspraak van het Hof (Eerste sectie: Rozakis (president), Loucaides, Vajic, Kovler, Steiner, Hajiyev, Spielmann) Het staat vast dat de overdracht van het ouderlijk gezag een inbreuk vormt op het recht op familieleven van de klagers. Voor deze overdracht bestond een wettelijke basis en een gerechtvaardigd doel in de zin van het tweede lid van art. 8 EVRM. Het Hof dient te beoordelen of deze inbreuk 'noodzakelijk is in een democratische samenleving'. In casu is het van groot belang dat de kinderbeschermingsmaatregel alleen was gebaseerd op het gebrek aan passende accomodatie en financiële middelen alsmede de onzekere verblijfsstatus van de moeder, waardoor het voor haar moeilijk was om voor een zeer jong kind te zorgen. Dit legde volgens het Hof een extra zware verantwoordelijkheid op de nationale autoriteiten om te zoeken naar alternatieven voor de vergaande maatregel van ontneming van gezag. In het onderhavige geval hebben deze autoriteiten volgens het Hof onvoldoende actie ondernomen om alternatieven te vinden, bijvoorbeeld de tijdelijke huisvesting van moeder en kind in een centrum voor moeders en jonge kinderen. Verder zijn de Oostenrijkse instanties in gebreke gebleven waar het gaat om het het verzekeren van regelmatig contact tussen moeder en zoon na hun gedwongen scheiding. Het Hof verwijst verder naar zijn gevestigde jurisprudentie op grond waarvan art. 8 EVRM ook impliciete procedurele vereisten omvat. In een casus als de onderhavige betekent dit dat de ouder(s) voldoende betrokken moeten zijn geweest in de gehele procedure die heeft geleid tot het verlies van het gezag over het kind, waarbij voldoende rekening is gehouden met hun belangen. Gezien het voorgaande concludeert het Hof dat er geen noodzakelijkheid bestond voor de genoemde inbreuk en stelt een schending van art. 8 EVRM vast. Het Hof besluit de klachten ook afzonderlijk te onderzoeken onder de garanties van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Ten aanzien van het beginsel van equality of arms stelt het Hof een schending van art. 6 EVRM vast, aangezien de eerste klager onvoldoende betrokken is geweest in de procedure die leidde tot de ontneming van haar ouderlijk gezag. Een en ander in het bijzonder aangezien zij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op diverse rapporten, onder meer van de Raad voor de Kinderbescherming, waarop de rechter zijn oordeel mede baseerde. Bovendien is in deze van belang dat het gaat om een procedure waarin een individuele burger het moet opnemen tegen de staat. Het Hof stel eveneens schendingen van art. 6 EVRM vast ten aanzien van het ontbreken van een openbare behandeling van de zaak en het feit dat de uitspraak niet in het openbaar werd gedaan. Het Hof wijst het beroep op een schending van art. 14 juncto 8 EVRM af, aangezien er naar zijn oordeel geen onderscheid op basis van nationaliteit wordt gemaakt bij de plaatsing van moeders en zeer jonge kinderen in gespecialiseerde centra. D. Slotsom Het Hof concludeert unaniem tot schendingen van art. 8 EVRM en art. 6 EVRM (drie maal, namelijk ten aanzien van: equality of arms, openbare behandeling, openbare uitspraak). Unaniem stelt het Hof vast dat art. 14 juncto 8 EVRM niet is geschonden. Onder art. 41 EVRM kent het Hof de eerste klager een vergoeding van immateriële schade toe van e 8000. De schadeclaim ten aanzien van de tweede klager wijst het Hof af, aangezien de vastgestelde gebreken in de procedure geen direct effect hebben gehad op de tweede klager. Ten aanzien van hem stelt het Hof vast dat de constatering van een schending van art. 8 EVRM voldoende genoegdoening biedt waar het gaat om immateriële schade die hij mogelijk heeft geleden. Ga terug |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||