Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Actualiteit
<< vorige pagina   
print pagina
 

En dat zegt de Nationale ombudsman nu voor de zoveelste keer. Op 11 maart 2009 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift

Actualiteit >>
BEOORDELING T.A.V. HET OPTREDEN VAN bureau jeugdzorg
 
Ten aanzien van het betrekken van verzoekers bij het opstellen van het plan van aanpak.
 
13. Het beginsel van fair play houdt voor overheidsinstanties in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Van BJZ mag daarom worden verwacht dat de plannen van aanpak op basis van de hiertoe opgemaakte procedures opgesteld worden, zeker nu deze plannen een grote rol spelen in rechterlijke procedures waarin beslissingen worden genomen die diep ingrijpen in het leven van ouders en kinderen.
 
14. Voor de uitvoering van de taken van BJZ zijn er een aantal kaders gesteld die onder andere zijn terug te vinden in de wet en het handboek Deltamethode Gezinsvoogdij. Artikel 13 van de Wet op de Jeugdzorg (zie achtergrond) bepaalt in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt. BJZ schrijft dus in overleg met de cliënt een plan van aanpak, waarin de doelen die met de ondertoezichtstelling of de voogdij worden beoogd, staan omschreven.
 
15. Daarnaast maakt BJZ gebruik van het handboek Deltamethode Gezinsvoogdij (versie 2.0, verschenen april 2008). Versie 1.0 verscheen in februari 2007. Hierin staat over de uitgangspunten Deltamethode vermeld: "Planmatig werken staat voor het op gestructureerde wijze betrekken van de ouders en de jeugdige bij het plan van aanpak. In dit plan van aanpak wordt gezocht naar werkdoelen die zowel door de gezinsvoogd als de ouders en de jeugdige worden onderschreven. Dit gebeurt op transparante wijze, waarbij de doelen gezamenlijk worden geformuleerd, en vastgelegd in het plan van aanpak en in de loop van de ondertoezichtstelling worden geëvalueerd."
 
16. Nadat de plannen van aanpak zijn opgesteld door BJZ hebben er twee gesprekken plaatsgevonden met de heer en mevrouw W. over de plannen van aanpak, die gedateerd zijn op 24 oktober 2008 en 14 mei 2009.
De Nationale ombudsman merkt als eerste op dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden nadat de plannen van aanpak al waren vastgesteld (9 juli 2008). De Nationale ombudsman is van mening dat hierdoor niet gesproken kan worden van "het op gestructureerde wijze betrekken van de ouders en de jeugdige bij het plan van aanpak". De Nationale ombudsman kan verder uit het dossier niet opmaken dat de ouders en/of de jeugdigen eerder op gestructureerde wijze betrokken zijn bij het opstellen van het plan van aanpak. Er wordt ook door BJZ schriftelijk aan de klachtencommissie impliciet erkend dat er geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de ouders/jeugdige en BJZ over de plannen van aanpak.
 
17. De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat BJZ zich niet aan de daartoe opgestelde procedure heeft gehouden bij het opstellen van de plannen van aanpak. Daarbij heeft BJZ de heer en mevrouw W. niet de kans gegund zich de rol van betrokken ouders toe te eigenen door de ouders in de procedure op een volwaardige manier mee te nemen in de totstandkoming van de plannen van aanpak. BJZ had bij aanvang van de werkzaamheden de ouders moeten betrekken door met hen te bespreken wat er nodig is om de ondertoezichtstelling te beëindigen (waaraan moet worden gewerkt), wat alle partijen eraan gaan doen om dit te bereiken en waaraan iedereen zich vervolgens moet houden. Dit proces had BJZ actief moeten monitoren door telkens navraag te doen bij de ouders en de jeugdigen naar de stand van zaken, hen te motiveren concrete stappen te zetten, hen aan te spreken op eventueel niet nagekomen afspraken, door te vragen bij eventuele tegenstrijdigheden in verhalen, hen te betrekken bij het actualiseren van de plannen van aanpak en tot nieuwe afspraken te komen na aanpassing van de plannen van aanpak. Op deze manier was er draagvlak en vertrouwen gecreëerd bij alle partijen om zo snel en effectief mogelijk het beoogde doel te bereiken, namelijk opheffing van de ondertoezichtstelling.
 
Door de ouders onvoldoende te betrekken bij het opstellen van het plan van aanpak heeft Bureau Jeugdzorg in strijd gehandeld met het beginsel van fair play.
 
De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.
 
Ten aanzien van de opstelling van de gezinsvoogd.
 
18. Het beginsel van professionaliteit houdt voor ambtenaren met een bijzondere training of opleiding in dat zij jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep dienen te handelen. Van BJZ mag verwacht worden dat het een professionele organisatie is, die als zodanig handelt. Dit impliceert dat van de gezinsvoogd een actieve en betrokken werkhouding verlangd mag worden. De gezinsvoogd dient het belang van het kind voor op te stellen en dient vanuit dat belang zijn beslissingen te nemen, mede gesteund op voldoende en afgewogen informatie.
 
19. Betreffende het actualiseren van de rapporten is de onderzoekshouding van de gezinsvoogd van groot belang. Dit komt onder meer naar voren in de beleidsregels die hierover zijn opgesteld. Aan de medewerkers van BJZ wordt kenbaar gemaakt dat onderzoeken het verzamelen is van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die van belang zijn om te bepalen in welke mate het kind wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. Onderzoeken betekent dat de gezinsvoogd naar feiten en soms naar bewijzen op zoek gaat. Dat betekent dat de gezinsvoogd bij informatie die voor meerdere uitleg vatbaar is, probeert te achterhalen wat er feitelijk aan de hand is. Een belangrijke basisvaardigheid hierbij is het observeren, doorvragen en de aangeleverde informatie op betrouwbaarheid te onderzoeken.
 
20. De Nationale ombudsman constateert uit het onderzoek dat er zowel feitelijke fouten staan in het dossier, als fouten in de zin van het vermelden van niet actuele informatie door een onderzoekshouding van de gezinsvoogd die niet overeenkomt met de daartoe gestelde eisen.
 
21. Deze onnauwkeurigheden worden door BJZ wel erkend, maar deze zijn verder niet in het dossier aangepast. De Nationale ombudsman is van mening dat de fouten, (verwisseling van namen, verkeerde data en geen bronvermeldingen) voorkomen hadden kunnen worden, indien de ouders betrokken waren bij de totstandkoming van de rapportages. Doordat dit niet gebeurd is en doordat de fouten niet zijn aangepast hebben de ouders een terecht gevoel van ‘niet serieus genomen worden’ gekregen.
 
22. De Nationale ombudsman stelt zich op het standpunt dat juist door de complexe familieverhoudingen er alle reden is voor de gezinsvoogd om te proberen de informatie te verifiëren, en ook voor te leggen aan verzoekers. Er dient daarbij een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen feiten en meningen van betrokkenen. Ook de gezinsvoogd moet zich onthouden van uitspraken die buiten zijn deskundigheid liggen. Uit een rapport moet dus duidelijk blijken wat de mening is van de gezinsvoogd en van andere betrokkenen en op basis van welke feiten ieder tot die conclusie is gekomen. Meningen en vermoedens moeten zeker niet als feiten worden gepresenteerd.
 
23. In dit geval zijn er, nadat in september 2007 het raadsrapport is opgemaakt, geen andere betrokkenen meer geïnterviewd voor de later opgestelde plannen van aanpak. Hierdoor is er geen mogelijkheid genomen om informatie te verwerven over de situatie, die van toepassing was na september 2007. Het feit dat één van de dochters op dat moment bij de grootouders woonde, met wie de heer en mevrouw W. een verstoorde relatie hadden maar desondanks als een belangrijke bron gezien worden door BJZ, maakt in de optiek van de Nationale ombudsman de kwestie extra gevoelig. Dit had voor de gezinsvoogd in ieder geval reden moeten zijn zich ook op andere wijze te laten informeren over de situatie van de dochter.
 
24. De Nationale ombudsman is van oordeel dat BJZ zich niet professioneel heeft opgesteld bij de aanpak van deze zaak en in de daarbij behorende opbouw van het dossier. Het zou daarom van professionaliteit getuigen indien in ieder geval de aanwijsbare fouten in samenspraak met de ouders hersteld zouden worden, zodat het dossier geen fouten meer bevat, waarop later wellicht teruggekomen kan worden door BJZ. Het is namelijk een absoluut vereiste dat de informatie die BJZ verstrekt aan de rechtbank op basis waarvan deze een uitspraak zal doen in het kader van bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, correct en actueel is. De onderzoekshouding van een gezinsvoogd moet zo zijn dat hij dit altijd waarmaakt. Alleen door deze houding kan de schijn van eenzijdig naar een bepaalde conclusie toe redeneren worden voorkomen. De Nationale ombudsman hecht eraan in dit kader op te merken dat ouders zich bij een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van een kind, in een uitermate kwetsbare en afhankelijke positie bevinden en zich vaak machteloos voelen tegenover BJZ. Van BJZ vraagt dit een specifieke alertheid om in houding en gedrag ten opzichte van de ouders die ongelijkheid meer in balans te brengen.
 
De houding van BJZ was op dit punt onvoldoende professioneel. Ook op dit onderdeel is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.
 
BEOORDELING T.A.V. DE KLACHTBEHANDELING
 
3. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van overheidsinstanties feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering. Dit brengt mee dat bij de beoordeling van een klacht het oordeel van de onafhankelijke klachtencommissie door het bestuursorgaan kan worden gevolgd, indien dit oordeel feitelijk en logisch gedragen wordt door een kenbare motivering en dat zij op alle argumenten die bij het besluit een rol kunnen spelen zijn ingegaan.
 
4. Op basis van het onderzoek stelt de Nationale ombudsman zich op het standpunt dat het ter inzage krijgen, zoals verwoord door de klachtencommissie niet gelijk staat aan het in de Deltamethode omschreven totstandkoming van de plannen van aanpak. Uit de motivering van de klachtencommissie komt niet naar voren hoe zij is gekomen tot het gelijkstellen van “ter inzage krijgen” aan “door alle partijen worden onderschreven”. In de praktijk kan het voorkomen dat het niet mogelijk is tot een plan van aanpak te komen die door alle partijen wordt gedragen. Echter de klachtencommissie heeft hiertoe geen onderzoek gedaan en gaat ervan uit dat het “ter inzage krijgen” voldoende is om de klacht ongegrond te verklaren.
 
5. De Nationale ombudsman gaat ervan uit dat de overweging van de klachtencommissie betreffende het geen oordeel kunnen geven over de inhoudelijke zorgvuldigheid/ onderbouwing van de plannen van aanpak gebaseerd is op een beginsel uit de Algemene Wet Bestuursrecht. Een aantal beslissingen die Bureau Jeugdzorg in het kader van de uitoefening van ondertoezichtstelling neemt, zijn niet gericht op ‘rechtsgevolg’. In dat geval gelden wel de zorgvuldigheidseisen van de Algemene wet bestuursrecht voor het nemen van een besluit, maar staat voor betrokkene geen rechtsbescherming open. Zo is het opstellen en vaststellen van het hulpverleningsplan geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In sommige gevallen kan het hulpverleningsplan bepaalde beslissingen bevatten die kunnen worden beschouwd als een schriftelijke aanwijzing aan de ouder met gezag of aan de minderjarige. In dat geval staat tegen die beslissing wel de normale rechtsbescherming voor een schriftelijke aanwijzing, namelijk beroep bij de kinderrechter, open.
 
6. De klachtencommissie neemt in de overweging wel mee dat de teamleider heeft erkend dat er fouten zitten in het dossier, maar toch wordt de klacht ongegrond verklaard. De motivering waarom “de klacht niet zonder meer gegrond is” ontbreekt verder volledig. Wel wordt de overweging meegegeven dat het niet aan de klachtencommissie is om een oordeel te geven over de inhoudelijke zorgvuldigheid/onderbouwing waarmee BJZ de diverse rapportages opstelt, aangezien dit de bevoegdheid is van de rechtbank. Gezien het feit dat het hier niet gaat om een inhoudelijke beoordeling van de plannen van aanpak, maar het slechts gaat om “slordigheden”, die voorkomen dan wel gecorrigeerd hadden kunnen worden stelt de Nationale ombudsman zich op het standpunt dat het ongegrond verklaren van deze klacht te kort door de bocht is geweest. Het zou van professionaliteit getuigen indien deze klacht meteen verholpen was indien men gezamenlijk de plannen van aanpak gecorrigeerd had op de ingeslopen onjuistheden. Op dit punt was zeker een rol voor de klachtencommissie neergelegd.
 
7. Alles overwegende stelt de Nationale ombudsman vast dat er is gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel. In dit geval werd het oordeel van de commissie immers in ieder geval niet gedragen door een deugdelijke en voor verzoekers kenbare motivering.
 
De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.
 
 
 
CONCLUSIE
 
De klacht over de onderzochte gedraging van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, is gegrond:
 
-          ten aanzien van de klacht dat ouders onvoldoende zijn betrokken bij het opstellen van het plan van aanpak wegens schending van het beginsel van fair play;
-          ten aanzien van de houding van de gezinsvoogd, wegens schending van het beginsel van professionaliteit;
-          ten aanzien van de klachtbehandeling wegens schending van het motiveringsbeginsel.
 
 

Ga terug