Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

De bestuursrechter is meer geinteresseerd in feiten dan de kinderrechter

Nuttig om te weten >>
Lezing VNJA te Breda, 23-11-2010 14.00 u
Onderwerp: 'Bestuursrechtelijke aspecten van de OTS'.
Geachte aanwezigen,
Misschien vreemd hier bij u iemand te zien die zelf geen advocaat is, zelfs niet is afgestudeerd als jurist en toch denkt een en ander te vertellen te hebben. Op voorhand wil ik mijn dank uitspreken aan de organisatie die mij de gelegenheid geeft om kort een inleiding te houden over hetgeen mij al meer dan 15 jaar bezig houdt: 'de waarheidsvinding in het familierecht'. Ik houd me namelijk bezig met de wanhoopsprocedures van ouders in hun gevechten tegen 'jeugdzorg' en hun indicatiebesluiten die vaak gebaseerd zijn op 'indrukken', 'mening onderzoeker', 'mening van vult u maar in…' waar zoals dat in hun jargon heet 'de gedragswetenschapper deel uit maakte van het team' of anders 'consultatief betrokken is geweest'. Mijn passie hierin is aangewakkerd toen ik er dank zij mijn eigen ervaring achter kwam dat allerlei zaken in Raads- en Jeugdzorg rapporten opgeschreven waren, die geheel niet juist waren en niemand zich er kennelijk druk over maakte dat zaken gewoonweg NIET waar waren, behalve uiteraard de ouders in kwestie….
Tot enige jaren terug raadde ik ouders aan klachten in te dienen bij de klachtencommissies van hetzij Raad of jeugdzorg. Daarna kon men in beroep bij de provinciale klachtencommissies. Gaf een gegronde uitspraak met duidelijk oordeel over het handelen hoop aan ouders, deze werd weggenomen door het feit dat BJZ of raad zich vervolgens niets van die uitspraken van de klachtencommissies aantrokken. Men ging onverstoord op de zelfde voet nog jaren verder. Ook had de lange duur van de klachtenafhandeling tot gevolg dat de rechters inmiddels hun beslissingen genomen hadden op grond van rapporten die volgens ouders aan alle kanten rammelden. Kinderen OTS dan wel UHP naar een pleeggezin of in de gevangenis gezet.
Tegen de tijd dat de klachten waren afgehandeld, ongeveer 1 jaar later, was er al weer een nieuwe indicatie met de zelfde manco's. Een blik op de Wet op de Jeugdzorg art. 5 lid 5 om exact te zijn, leert dat de kinderrechter in jeugdzorg kwesties optreedt als bestuursrechter.
Vanuit die gedachte kwam ik op het idee om een bezwaar te maken bij een Stichting BJZ en daarop vervolgens, gezien de korte termijn, een 'spoedvoorziening ex. Art. 8 :81' te vragen bij de kinderrechter die een verzoek tot verlenging OTS / UHP behandelde.
In het betreffende indicatiebesluit waren immers diverse van de volgende naar mijn mening 'bestuursrechtelijke bezwaren' van toepassing:
- Onjuiste feiten: een en ander stond vol met pertinente en bewijsbare onjuistheden. Zo treft men vaak de zin: 'hulp in de thuissituatie is niet mogelijk' terwijl er NIETS onderzocht is! Eveneens treft men aan dat er geen recht op second opinion is met als argument: 'er zijn geen onderzoekgegevens bekend' (maar dan wel indiceren tot UHP!)
- De gelijkheid van partijen: alle partijen dienen te beschikken over de zelfde (bewijs) stukken. Hoe vaak gebeurt het niet dat ouders niet alle stukken als contactjournalen en werkaantekeningen die bijdragen aan de besluitvorming, hebben gekregen? Sterker nog: ze worden vaak geweigerd op grond van hun 'beleidsregels'!
- 'Detournement de pouvoir': onder het mom van 'hulpverlening' werd een zodanige situatie gecreëerd dat er eigenlijk blijvende uithuisplaatsing moest bewerkstelligd worden, overgaand in pleegouder-adoptie. Eveneens in dit kader ziet men vaak dat een kind dat een UHP niet accepteert maar 'in behandeling' moet blijven wegens 'hechtingsstoornissen' welke behandeling alleen tot doel heeft om de OTS te handhaven en het kind nog langer UHP te laten! In deze rubriek valt volgens mij ook het feit dat kinderen die een psychiatrische diagnose hebben in de jeugdzorg gehouden worden op grond van 'gedragsprobleem', maar niet psychiatrisch behandeld worden. Bij psychiatrische problematiek is 'jeugdzorg' zelfs niet aangewezen op grond van art. 3 UvB WoJz! Erger in deze is zelfs dat BJZ NIET in staat is zelf een 'psychiatrische diagnose' te stellen!
- Negeren van wetenschap over met name het belang kind-ouder banden en het in stand houden van die relaties.
- Onlogische conclusies, bijvoorbeeld: een kind dat niet wil hechten in een pleeggezin of instelling, juist gaan behandelen voor 'hechtingsstoornissen' en juist de contacten met echte ouders en familie verminderen in plaats van herstellen..
- Niet correcte wijze van totstandkoming, onjuiste ondertekening, geen bevoegde ondertekenaar van een indicatiebesluit of verzoekschrift. Volgens de wet zijn alleen de Stichting BJZ, de Raad dan wel Officier van Justitie bevoegd een verzoek OTS in te dienen.
- Geen onderbouwing met deugdelijk bewijs.
Hier werd ik ronduit afgepoeierd en verwezen met de woorden: 'hier zijn andere procedures voor'. Met die woorden in gedachte startte ik de 'andere procedure' bij de kinderrechter van die zelfde rechtbank. Ondanks het feit dat ik zelfs 2 uitspraken van rechtbank Arnhem en Zwolle overlegde dat een kinderrechter in ging op wat ik noem 'bestuursrechtelijke bezwaren' . Een standaard verweer van
een rechter is immers: 'Tegen een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht staat geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg is een indicatiebesluit inzake een onder toezicht gestelde cliënt, inhoudende een uithuisplaatsing, van beroep uitgezonderd teneinde een dubbele rechtsgang te voorkomen'… In de praktijk worden dan gewoonweg géén toetsen naar waarheidsvinding gedaan…
De zitting die daarop volgde was van bedroevend niveau: de door mij aangehaalde jurisprudentie werd genegeerd, mij werd verteld dat indicatiebesluiten in zake OTS en UHP 'op de negatieve lijst van de AwB stond'.
Vervolgens komt de uitspraak, die iedere verbazing tartte: alle bezwaren afgewezen, omdat deze rechter daartoe niet bevoegd zou zijn daar op in te gaan. Hoger beroep mogelijk bij de CrvB te Utrecht.
Ik wendde mij tot de CrvB. Omdat deze 3 kamers heeft, aldus hun website, en geen van die 3 iets met familierecht dan wel bestuursrecht van doen leek te hebben gezien de aard van de zaken die zij behandelen, belde ik op met de vraag bij welke kamer ik mijn beroep moest instellen. Men kon mij geen ander antwoord geven dan: 'dat weten wij ook niet, stuurt u uw beroep maar in'. Zo gezegd zo gedaan. Enige weken later het antwoord: 'De CrvB is niet bevoegd om deze zaak te behandelen…u dient zich te wenden tot de Raad van State'. Ook dit deed ik dan maar braaf…
Griffierecht betaald en afwachten maar. Het antwoord: 'De Raad van State is niet bevoegd, deze zaak dient behandelt te worden door de CrvB.' Opnieuw dus naar de CrvB. Op 18-3-2008 kwam er uiteindelijk een zitting waarbij ik een pleidooi hield aangaande het recht van ouders om de beweringen die gedaan zijn in indicatiebesluiten te laten toetsen op waarheid, zoals de AwB dit vereist. De AwB gaat immers uit van juistheid van feiten en conclusies, geen 'detournement de pouvoir' en gelijkheid van procespartijen enz. Als ouders namelijk geen klachten kunnen laten behandelen bij een onafhankelijke klachtencommissie, geen 'bezwaar' kunnen maken omdat dit uitgesloten zou zijn van de AwB en de kinderrechter waar de OTS / UHP behandelt wordt klakkeloos uitgaat van juistheid van de indicatiebesluiten, dan bestaat er een ernstig manco in de waarheidsvinding in het familierecht en een ernstig manco in de mogelijkheden een IB te laten toetsen op waarheidsgehalte. Er zou naar mijn idee een 'rechtsvacuüm' ontstaan door geen enkele mogelijkheid tot waarheidstoets in de rechtsgang te hebben.
De uitspraak die na mijn uitgebreide pleidooi volgde was er een die op de eerste plaats bedroevend leek, maar bij nader inzien echter min of meer spectaculair was: mijn beroep werd afgewezen, maar
ons hoogste rechtscollege in deze maakte wel duidelijk hoe een en ander wel zou moeten: de kinderrechter in eerste aanleg zou in moeten gaan op de 'bestuursrechtelijke bezwaren' en een IB op juistheid in die zin toetsen. U kan een en ander nalezen in de uitspraak LJN BD1113 van 29-4-2008 die later nog eens bevestigd werd door de uitspraak LJN BM2886 van 27-4-2010.
De uitspraak LJN BD 1113 haalde direct bijna alle juridische vakbladen en websites.
Sindsdien raad ik ouders altijd aan om een bezwaar te maken bij de Stichting BJZ en dit eveneens in te dienen bij de kinderrechter die de OTS/UHP behandelt. Het IB verschijnt immers vaak vlak voor een zitting, derhalve is in de regel geen tijd om het antwoord van de St. BJZ af te wachten. Bovendien kan sinds de wet 'dwangsom en beroep' bezwaar maken een lucratieve bijverdienste zijn voor ouders! Tot mijn bedroevenis zijn er advocaten die hetzij het geheel afraden een bezwaar in te dienen over een IB bij BJZ en die zelfs stellen: 'tegen een IB is geen bezwaar mogelijk'. Ik raad dus aan om juist dat bezwaarschrift in te dienen als productie bij het verweerschrift namens ouders met de eis dat de rechter éérst die bezwaren behandelt, met de mogelijkheid om, conform LJN BD1113, in hoger beroep te gaan bij de CrvB. Nu even verder met de praktijk.
Er volgden in die tijd diverse uitspraken waarbij rechters ingingen op wat ik noemde de 'bestuursrechtelijke bezwaren' als onjuiste wijze totstandkoming, onbevoegde ondertekening, onjuiste feiten, onlogische conclusies en misbruik van omstandigheden om een ander doel te bereiken, in 'jeugdzorg zaken' veelal pleegouderadoptie bereiken door steeds maar UHP te indiceren.
De uitspraak van de rechter te Maastricht van 25-8-2008 LJN BF2737 onderstreepte mijn visie: 'Een IB moet voldoen aan de kwaliteitsmaatstaven die de AwB vereist'. Tot zo ver enige positieve aspecten.
De keerzijde: veel rechters gaan vaak niet eens in op de bezwaarschriften die ouders opstellen, ze worden ter zijde geschoven zonder enige motivatie dan wel 'ouders zijn het niet met BJZ eens' dan wel andere dooddoeners. Ik zou hier een uitgebreid betoog kunnen houden, doe dit niet maar geef u een recent voorbeeld van het naar mijn mening bedroevend handelen van een rechtbank te Alkmaar.
Het volgende is het geval. Ouders maken bezwaar op een Indicatiebesluit bij de Stichting BJZ gevestigd in de hoofdstad van hun provincie, in dit geval Haarlem.
Het bezwaar wordt afgewezen en daar onder staat de standaard zin: 'u kan in beroep gaan bij de kinderrechter van de rechtbank te Haarlem.' . De zaak met betrekking tot de OTS / UHP van de kinderen was echter onder behandeling bij de rechtbank te Alkmaar.
De kinderrechter te Haarlem geeft in zijn uitspraak te kennen: 'de behandelend kinderrechter te Alkmaar. dient de rechtmatigheid van het indicatiebesluit te toetsen' en refereert daarbij ook nog
naar LJN BD1113. Geheel correct. Nu komt de klap op de vuurpijl: ondanks dat de ouders in kwestie de uitspraak van die rechtbank te Haarlem enige weken later voorlegden aan de behandelend kinderrechter die de OTS-UHP zaak deed: hij deed gewoonweg géén enkele toets en nam het IB gewoonweg voor waar aan. De uitspraak van de rechtbank te Haarlem werd gewoonweg genegeerd. Dit was mei 2010. De ouders zijn, uiteraard, op grond van de zelfde rechtsgang in hoger beroep gegaan bij de CrvB . Tot hun verbazing en verbijstering zal de zaak mogelijk na 1,5 tot 2 jaar ter zitting behandeld worden. Over die lange doorlooptijd en de in feite schending van het recht schreef ik juni 2010 een brief aan de CrvB. Het antwoord kwam er op neer dat het de aandacht had en er aan deze lange doorlooptijd gewerkt zou worden.
U begrijpt, geachte advocaten, dat we hier blij zijn gemaakt met een spreekwoordelijke dode mus: een IB is slechts voor 1, maximaal 2 jaar geldig, de rechtsgang om het getoetst te krijgen duurt samen ca. 2 jaar en heeft dus kennelijk geen enkele zin.
De vragen en problemen die de 'bestuursrechtelijke toets' dus ons nalaten zijn:
1. Hoe kunnen we kinderrechters zo ver krijgen dat deze niet meer om een gedegen bestuursrechtelijke toets heen kunnen?
Hier heb ik zelf geen antwoord op: misschien creatieve advocaat of wetswijziging die de kinderrechter verplicht eerst een IB op rechtmatigheid te toetsen?
2. Hoe is de rechtsgang te verkorten?
Mijn voorstel aan de CrvB is recentelijk geweest: een aparte afdeling die dit soort familierechtszaken met spoed behandelt. Ook schijnt er een 'spoed procedure' mogelijk te zijn bij de CrvB.
U en ik begrijpen dat ik aan het eind van mij toegewezen tijd ben met betrekking tot dit onderwerp. Ik neem aan, zonder dat ik overigens op de hoogte ben van wat zij gaat zeggen, dat de volgende spreekster meer kan vertellen over deze problematiek. Mogelijk vinden wij vanmiddag behalve antwoorden op mijn vragen ook het antwoord op de vraag: HOE komen we tot een betere 'bestuursrechtelijke toets' in OTS zaken en daarmee tot betere WAARHEIDSVINDING!
Ik dank u voor uw aandacht.
Drs. N.J.M.Mul, arts
E-post: N.J.M.Mul@gmail.com  Tel.: 0857-851342 of 06-33109214 Nico Mul's link
Ga terug