Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Brief aan de Raad voor de Kinderbescherming van het Platform SCJF (n.a.v. de ‘Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming’)

Nuttig om te weten >>
Aan de heer R.E.F.M. Nijhof
Algemeen Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming
Postbus 19202
3501 DE Utrecht

Utrecht, 18 juni 2001

Geachte heer Nijhof,

Hierbij stuur ik u zoals afgesproken op 11 juni ons commentaar op de ‘Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming’. Voor de goede orde meld ik u, dat ik kopie van onze vragen en opmerkingen aan het Ministerie van Justitie stuur vanwege het belang van de ‘wegwijzer onderzoeksmodel’.

Het Platform SCJF biedt aan een concept wegwijzer onderzoeksmodel te maken dat naar onze mening meer recht zou doen aan kinderen en hun ouders en meer in overeenstemming zou zijn met wet en regelgeving van 2001.

Met vriendelijke groet,


Kopie aan het Ministerie van Justitie, t.a.v. mevrouw drs H. Blomberg
mr M.M. Schelvis

Vragen en opmerkingen n.a.v. de ‘Wegwijzer Onderzoeksmodel’

Pag. 19 ”De informatie wordt betrokken uit meerdere bronnen (... de samenwerking tijdens het onderzoek, ...) ...”
Pag. 77 “Als een cliënt de deur dicht houdt, mist de onderzoeker een belangrijke informatiebron. Aan de wijze waarop de samenwerking tot stand komt, ontleent de raadsonderzoeker veel informatie.

Hopelijk zullen raadsonderzoekers steeds voor ogen houden dat gebrek aan “samenwerking” voort kan komen uit contacten met het Platform SCJF.

Wij vertellen mensen dat ongeveer de helft van de aanmeldingen resulteert in een kinderbeschermingsmaatregel en daarvan weer ongeveer de helft in een uithuisplaatsing. Ons advies: “blijf er uit de buurt als het enigszins kan.”

Ook ervaringen in 2001 sterken ons in de overtuiging, dat ouders alleen maar narigheid kunnen krijgen van de raad voor de kinderbescherming. Voor een advies i.v.m. zijn kinderen heeft iemand de raad niet nodig. Waarom zou hij er dus mee praten?

Pag. 29 “Indien mogelijk maakt de raadsonderzoeker een analyse van de geschiedenis van het kind en de ouders.”
Het stemt het Platform SCJF somber dat in 2001 nog steeds deze werkwijze gevolgd wordt.

Wij adviseren ouders: “Laat u zich niet verleiden tot uitweidingen over uw eigen (vroegere of huidige) problemen of uw huwelijksproblemen, ... . Als u zich laat afschilderen als iemand met problemen ontstaat al gauw het beeld van iemand die wel niet geschikt zal zijn om kinderen op te voeden.”

In het “oude” opleidingsmateriaal stond dat kennis van de geschiedenis de raadsmedewerker zou helpen het gedrag te begrijpen. Maar waarom zou een raadsmedewerker gedrag moeten begrijpen? Een raadsmedewerker moet beslissen of een kinderbeschermingsmaatregel gevraagd moet worden.

Pag. 45 “Onderzoeksplan met: ... strategische overwegingen”
Pag. 55 “1. Hierbij gaat het ... ook om strategische keuzen bijvoorbeeld ten aanzien van de verblijfplaats van het kind en de medewerking van de betrokkenen.”

Wij zijn benieuwd naar de concrete inhoud van “strategische overwegingen/keuzen”.

Pag. 49 “6. Hypothesen vullen elkaar aan of sluiten elkaar uit ... Bijv.: ‘Het pestgedrag van Pepita wordt veroorzaakt door het gegeven dat zij niet met leeftijdsgenootjes kan omgaan’ vs. ‘Pepita pest andere kinderen omdat ze na de verhuizing haar oude vriendinnetjes mist.’
Met name dit voorbeeld stemt somber. Wie weinig aandacht heeft voor FEITEN, heeft veel hypothesen nodig.

· Pag. 45 e.v. “Fase 3 Onderzoeksvraag vaststellen, hypothesen formuleren en een onderzoeksplan maken ... Uit de onderzoeksvraag leidt het team vervolgens hypothesen af. Als afsluiting van deze fase wordt een onderzoeksplan opgesteld, waarin onder meer wordt vastgelegd welke onderzoeksmiddelen worden gebruikt om de hypothesen te toetsen.”

Pag. 53 “13. Hypothesen zijn professionele werkaantekeningen Hypothesen zijn werkaantekeningen. Zij worden -...- niet letterlijk met de cliënten doorgenomen en worden niet opgenomen in de rapportage.

Het Platform SCJF kan zich niet verenigen met een schaduwdossier.

Het is duidelijk dat het team bij de hypothesen betrokken is. Hypothesen zijn dus geen werkaantekeningen, maar maken onderdeel uit van het dossier en behoren dus ook aan de ouders in kopie afgegeven te worden.

Vgl. H.J.J. Leenen; Handboek Gezondheidsrecht deel 1, Rechten van mensen in de gezondheidszorg; 4e druk bewerkt door H.J.J. Leenen en J.K.M. Gevers; Houten/Diegem 2000 pag. 260: “Het inzagerecht omvat niet persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener. Daaronder worden verstaan apart opgeborgen, voor anderen niet toegankelijke aantekeningen die de hulpverlener voor persoonlijk gebruik nodig heeft. Het gaat om voorlopige gedachten en analyses die meestal hun zin ook verliezen nadat het onderzoek is afgerond en dan ook kunnen worden vernietigd. Zij mogen geen schaduwdossier vormen.”

(Wordt er een poging ondernomen een nieuwe term in te voeren: ‘professionele werkaantekeningen’? Die bestaan niet. Er zijn persoonlijke werkaantekeningen, en alles wat niet persoonlijke werkaantekening is vormt onderdeel van het dossier.

De collectieve werkaantekening, de ‘professionele werkaantekening’, is (deel van) een schaduwdossier.)

· Pag. 75 “De cliënten krijgen het rapport ter inzage aangeboden en hun reactie wordt toegevoegd aan het rapport. ... De rechter of de Officier van Justitie kan dankzij het rapport een advies of verzoek onderbouwen, zodat ze een juridisch verantwoorde beslissing kunnen nemen.”

. Het Platform SCJF zou graag zien dat raadsmedewerkers allemaal weten dat inzage te allen tijde het recht op afschrift of kopie omvat (zie ook EHRM d.d. 7 juli 1989, Series A, Vol. 160 (Gaskin-arrest). Zie ook het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 december 1988, TvGR 1989/32.)

. Volgens het Platform SCJF dient er onderscheid gemaakt te worden tussen reacties op feitelijkheden en andere reacties. Als het geen feitelijkheden betreft kan inderdaad volstaan worden met toevoegen aan het rapport, als het aantoonbare feitelijkheden betreft dient het rapport nietig te zijn en een nieuw rapport gemaakt te worden. (Dit nieuwe rapport kan identiek zijn aan het eerdere rapport met uitzondering van het verbeterde feit.) Onjuiste feitelijkheden die bekend zijn aan de raadsmedewerker die het rapport ondertekent, maken het rapport meinedig, is bekend sinds Perspectief van mei 2001.

Ouders moeten op de hoogte gesteld worden van dit onderscheid en weten wat er met hun reactie gedaan zal worden.

· Pag. 79 “Bij de selectie van het materiaal kan men als uitgangspunt hanteren, dat alleen het materiaal overblijft, dat te maken heeft met het doel van het onderzoek. ... De gegevens worden zo geordend, dat zij een consistent geheel vormen.”

Het Platform SCJF is van mening dat de gegevens zo geordend moeten worden dat zij een juist beeld van de werkelijkheid geven, ook als die werkelijkheid innerlijk tegenstrijdig en verwarrend is. Wij zijn bang dat raadsmedewerkers de opdracht de gegevens zo te ordenen dat zij een consistent geheel vormen zo zullen opvatten als in het “oude” opleidingsmateriaal expliciet gezegd werd: “De conclusies zijn leidraad bij het schrijven van het rapport. ... De Raadsonderzoeker moet het rapport toeschrijven naar deze Raadsvisie. Alle zijpaden, andere overwegingen, losse einden, en mogelijke alternatieve verklaringen worden in het rapport vermeden. ... Hoe meer zijpaden, hoe vager en onduidelijker het rapport, en des te meer afbreuk er aan de stellingname, de visie van de Raad wordt gedaan.”

Wij hoopten dat met de nieuwe opleiding er een eind gemaakt zou zijn aan dit manipuleren van de rechter. De term ‘consistent’ nodigt de raadsmedewerker uit tot het schetsen van een karikatuur van de werkelijkheid.



Aan het Ministerie van Justitie
t.a.v. mevrouw drs H. Blomberg en mr M.M. Schelvis

Utrecht, 18 juni 2001

Geachte mevrouw Blomberg en mijnheer Schelvis,

Hierbij zend ik u het commentaar van het Platform SCJF op de ‘Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming’ (ISBN 90-806015-2-7; uitgave oktober 2000, copyright Ministerie van Justitie).

Twee punten met name hebben verontrusting gewekt: het structureel ontstaan van schaduwdossiers, en het zeer selectief informeren van de rechter in het raadsrapport.

Hoogachtend,


Kopie aan de heer R.E.F.M. Nijhof, Algemeen Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming



De Raad heeft de brief niet beantwoord, het Ministerie van Justitie vond het allemaal geen probleem, met name zou er geen sprake zijn van schaduwdossiers, omdat de stukken die de ouders schaduwdossiers hadden genoemd immers later werden vernietigd!



Ga terug