Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Bjz, waarheidsvinding en rechters

Nuttig om te weten >>
Bureau Jeugdzorg, waarheidsvinding en rechters

Niet alles wat geschreven staat is per definitie de waarheid. Soms zijn zaken verre van iets dat op waarheid lijkt.
Nu heerst de opvatting, als het gaat om zaken als ‘Indicatie Besluiten’ van Bureau Jeugdzorg (BJZ) met betrekking tot Onder Toezicht Stelling (OTS) of Uit Huis Plaatsing (UHP), dat men geen bezwaar kan maken tegen indicatie-besluiten (IB). Zelfs sommige advocaten zijn die mening toegedaan.
Al jaren bestaan er twijfels over deze rapporten en de waarheid zo ook bij mij.
Daartoe geprikkeld door een rechter die tegen een advocate zei: ‘mevrouw, daar zijn andere procedures voor’ toen die advocate op mijn verzoek een bezwaarschrift over een IB bij de kinderrechter voor legde, startte ik in 2007 die ‘andere procedure’ over het zogenaamd ‘bestuursrechtelijk toetsen’ van een indicatiebesluit in zake OTS en UHP. Aanvankelijk werd mijn verzoek sowieso afgewezen en werd ik verwezen naar de Centrale raad voor Beroep (CrvB) in verband met hoger beroep. Deze CrvB stuurde mij terug naar de Raad van State. Deze bepaalde enige tijd later: neen, het dient behandeld te worden bij de CrvB. Bij die laatste bepleitte ik op 18-3-2008 het volgende: als de kinderrechter niet een bezwaar op een IB in zake OTS en UHP mag behandelen, en de bestuursrechter dit niet doet ‘omdat’ het familierecht is en de provinciale klachtencommissies en zo zijn afgeschaft, dan heeft BJZ een vrijbrief om van alles maar te indiceren en niemand toets het op waarheid en juistheid van feiten en omstandigheden.
Er kwam een uitspraak op 29-4-2008, LJN BD 1113 die duidelijkheid schepte: de afzon-derlijke procedure werd afgewezen, maar duidelijk bepaalde de CrvB, in deze ons hoogste rechtscollege, dat de civiele kinderrechter wel moest in gaan op de zogenaamde ‘bestuursrechtelijke bezwaren’ aan een indicatiebesluit.
Deze bestuursrechtelijke bezwaren kunnen zijn: onjuiste wijze van tot stand komen, uitgaan van onjuiste feiten en omstandigheden, onjuiste ondertekening, niet gefiatteerd door een (nu nog) wettelijk verplichte gedragswetenschapper (de wetgever wil die verplichting afschaffen, dan komt er géén enkele gedragsdeskundige meer aan te pas, uitsluitend lager geschoolde BJZ-medewerkers!), misbruik maken van omstandigheden om een ander doel te bereiken (hier: vaak pleegouder-adoptie willen bereiken onder het mom van ‘hulp’ aan de echte ouders en het kind!)
Na die tijd is er diverse vervolg jurisprudentie geweest waar een en ander aangescherpt werd ten aanzien van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo bepaalde de kinderrechter te Maastricht in uitspraak LJN BF2737 onder andere ‘een IB moet voldoen aan de kwaliteitsmaatstaven die de Awb vereist’. Zo werden ook vele IB’s verworpen door diverse rechters op grond van de zelfde soort bezwaren. Ik noem: LJN BH5020. Er zijn er veel meer!
Nu zijn er soms wel wanhopige ouders die ook nog door hun advocaten in de steek gelaten worden met de mededeling: ‘er valt toch niets tegen het IB te doen’.
Zo werd ik begin oktober 2008 drie dagen voor een zitting van het Hof Den Bosch benaderd door een moeder met een UHP kind . Ik heb in zeer korte tijd het dossier doorgenomen en voor haar een pleitnotitie van minder dan twee A4-tjes geschreven. Resultaat: bij uitspraak Hof 30-10-2008 onmiddellijk het kind terug bij moeder geplaatst.
Zondag avond 15-11-2009, 18.00 uur werd ik gebeld door een geheel wanhopige moeder: haar advocate had haar vrijdag de 13e gezegd niet naar de zitting van 16-11 te komen, het had immers geen zin. BJZ wilde haar kind UHP naar een ‘therapeutisch pleeggezin’ en een andere behandeling geven dan die moeder voorstond. Een ander kind zou OTS worden. Ik bood moeder aan op te schrijven wat zij wel zou moeten zeggen bij de rechter. Ook voor deze moeder schreef ik een korte pleitnotitie. Ter zitting op 16-11-2009 kreeg de moeder te horen: ‘ik kan wel zien dat u geen advocaat nodig heeft’. Uitspraak volgde direct:
het kind dat UHP zou worden kreeg de behandeling die moeder voorstond met alleen een OTS, andere kind géén OTS!
Bij deze wil ik mijn ‘geheim’ van de succesvolle korte pleitnotities prijs geven.
Bij de 1ste had BJZ het mij makkelijk gemaakt: er stond zelfs in het IB: ‘er is geen onderzoek verricht en er zijn geen onderzoeksgegevens bekend, daardoor vervalt het recht op second opinion’. Juist in het kader van bestuursrechterlijke toets was dit essentieel: kinderen wel uit huis willen plaatsen, zónder enig onderzoek!!!
Eveneens heb ik in beide zaken gewezen op enige rechterlijke uitspraken waar BJZ op dergelijke gronden het onderspit dolf.
Ook essentieel was het om in beide gevallen te refereren naar de artikelen 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg’ (Uvb Wjz). Hier die artikelen:
Artikel 3
1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een:
a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen;
b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden.
2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover:
a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen bieden, al dan niet met behulp van bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of
b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is.
Artikel 4
1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.
2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:
a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,
b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ of zorg als bedoeld in artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of
c. het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft.
3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:
a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;
b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.
4. Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.
Attentie: lees in plaats van de ‘jeugdhulp’ de OTS en de UHP!
Hieruit dient men uiteraard de punten te halen die van toepassing zijn. Een speciale attentie verdienen de punten met betrekking tot de bereidheid om zelf de juiste hulp te zoeken en te aanvaarden en het lid 2b van artikel 3: u ziet géén recht op ‘jeugdhulp’ indien de problemen voortkomen uit een psychiatrische aandoening. Menig ouder heb ik horen klagen dat BJZ juist weigert om een kind psychiatrisch te laten onderzoeken. Nu weet u waarom: géén OTS (= ca. € 6700 per jaar) voor BJZ als het kind gewoon door een psychiater behandeld kan worden!
Evenzo voor artikel 4 lid 2a: géén UHP indien het kind de hulp gewoon thuis kan krijgen! Mijn advies is dan ook: zoek zelf hulp voor uw kind bij een deskundige (BIG-geregistreerd (kinder)psycholoog, (kinder)therapeut of orthopedagoog al naar gelang de problematiek) die u uit kiest!
Heel kort dus mijn ‘recept’, voor ouders die zelf een pleidooi houden dan wel advocaten:
- Attendeer de rechter op de gebreken in een IB als waarheid van feiten en juist (of niet-juist) onderzoek.
- Verwijs naar die artikelen 3 en 4 van het UvB Wjz en de redenen waarom er géén recht op OTS of UHP zou zijn!
- Overleg van een en ander bewijsstukken als rapporten van zelf ingeschakelde hoog gekwalificeerde deskundigen.
- Overleg aan de rechter eventuele bezwaarschriften op een IB dan wel afschriften van klachten.
- Attendeer de rechter op de uitspraken LJN BD1113, LJN BF2737 en LJN BH5020
- Concludeer tot onvoldoende onderbouwing van het IB en derhalve afwijzing van de verzoeken van BJZ of Raad voor de Kinderbescherming.
Overigens is voor ouders altijd zaak om de basisregels in het familierecht in acht te nemen:
- Vraag altijd uw dossiers op en bewaar een kopie.
- Neem gesprekken zo veel mogelijk op. Schrijf zelf altijd gespreksbevestigingen.
- Vraag tevens de contactjournalen bij BJZ en de Raad voor de Kinderbescherming op. U heeft recht op afschrift!
- Houdt voor u zelf een soort dagboek in korte notities bij van uw zaak: dan houdt u overzicht!
- Blijf in rechtszalen kalm en beperk emoties zo veel mogelijk: vooral het schelden of anderen diskwalificeren wordt in zeer sterke mate niet gewaardeerd en kan tegen u werken!
In de verwachting dat dit samen met het mij vandaag ter kennis gekomen bericht dat er een tuchtrecht zal worden ingevoerd voor jeugdzorgmedewerkers zal bijdragen tot een verdergaande waarheidsvinding in het familierecht en dat dit zal leiden tot een einde aan de steeds voortdurende golf van UHP van kinderen op grond van ‘indrukken’, en ‘anonieme meldingen’ waarbij er zelfs geen enkele gedragswetenschapper of diagnosticus aan te pas komt. Zie hier over ook mijn verbetervoorstellen in mijn brieven aan minister Rouvoet!
Altijd bereid tot nadere toelichting en juridische of procedurele hulp,
drs. N.J.M.Mul e-post: N.J.M.Mul@gmail.com / publicatie: 25-11-2009

Ga terug