![]() |
||||
|
||||
|
|
Als u uw klacht en de reactie op onze website wilt plaatsen, mailt u de stukken naar mailkog@vodafonevast.nl deze worden mogelijk geplaatst in de map UW VERHAAL (uw naam en adres worden verwijderd, namen van instellingen en medewerkers laten wij staan). In deze map vindt u oudere stukken, maar helaas is de situatie nog precies dezelfde gebleven. Bekijkt u op deze website in de map Publicaties DE KRACHT VAN DE KLACHT. Ouderorganisaties, wij ook, willen dat er veel klachten worden ingediend: zo wordt geregistreerd wat er niet goed loopt. Uzelf kunt door een gegrondverklaarde klacht de voldoening smaken dat er zwart op wit staat dat de instanties iets niet goed gedaan hebben. U was geen querulant, u had gewoon gelijk! Een gegrondverklaarde klacht helpt soms bij de rechter. MAAR Een klacht indienen vraagt veel energie door de emotie die daar meestal bij komt kijken. Als bovendien uw klacht niet, of hoogstens gedeeltelijk, gegrond verklaard wordt, is dat weer een dreun. Als de klacht wel gegrond wordt verklaard, laat de instantie waar u over had geklaagd u weten wat men daarmee doet. Soms moet u daar weer achteraan. En als de directie u laat weten dat het geen verschil had gemaakt voor de gang van zaken, of u alleen maar laat weten dat men de mening van de commissie naast zich neerlegt, wordt u daar ook niet vrolijker van.U kunt daar weer een klacht over indienen. Zo blijft het werk in de wereld. Soms heeft het meer effect om:
Heeft een voogdijvereniging (bureau jeugdzorg) het gezag over uw kind? U hebt toch gewoon recht op alle informatie waar een gezagsouder recht op heeft. Zie de brief van het College Bescherming Persoonsgegevens op deze website (in de map Verzonden en ontvangen, daarvan 'verwerkt t/m december 2004' nr. 9a). Europa-bericht februari 1994: Eurorecht voor u! telefoneer met Eurorecht: donderdag tussen 14 en 18 uur 02 - 295 94 78 Schriftelijke vragen sturen naar: Eurorecht Archimedesstraat 73 1040 Brussel persoonlijk gesprek na afspraak De rechten van de Europese burger zijn niet altijd gekend, laat staan erkend. Wat dat laatste betreft biedt het rechtsbestel van de Europese Unie (EU) aan de Europese burger een aantal actiemiddelen, die de erkenning of de naleving van die rechten door hun eigen Lidstaten moeten afdwingen. Ofschoon niet altijd een resultaat op korte of zelfs lange termijn mag worden verwacht, moet de kennis van die actiemiddelen tot de "standaardbagage" van de Europese burger behoren. Het indienen van een klacht In elke Lidstaat van de Europese Unie is er een voorlichtingsbureau gevestigd, dat fungeert als een echte spreekbuis van de Commissie van de EU en dat tot taak heeft niet alleen burgers te informeren omtrent hun individuele en collectieve rechten, maar eveneens hun klachten n.a.v. inbreuken of nalatigheden die door de nationale overheden m.b.t. het gemeenschapsrecht werden begaan te verzamelen. De diensten van de Commissie kunnen n.a.v. dergelijke klachten rechtstreeks contact opnemen met de betrokken nationale overheidsdienst of instelling en deze verzoeken om toelichtingen te verstrekken en eventueel een einde maken aan de overtreding. Desgevallend brengt de Commissie de betrokken Lidstaat voor het Hof van Justitie wegens het niet-nakomen van een verplichting. Klachten kunnen worden ingediend hetzij rechtstreeks bij de Europese Commissie, Wetstraat 200 te 1049 Brussel, of via het Bureau in België van de Europese Commissie, Archimedesstraat 73 te 1040 Brussel. Het recht van petitie Elke burger heeft het recht persoonlijk of samen met andere burgers schriftelijke verzoeken of bezwaarschriften in te dienen bij het Europees Parlement, dienst petities, Belliardstraat 97 - 113 te 1040 Brussel. Deze petities worden op een algemene rol ingeschreven en door de Voorzitter van het Europees Parlement doorgezonden aan de bevoegde parlementaire commissie. Deze commissie kan verslagen opstellen, adviezen geven, zelfs aan het Parlement voorstellen een resolutie aan te nemen. Eventueel kan gevraagd worden dat de adviezen worden overgemaakt aan de Commissie van de EU of aan de Raad van Ministers. De teksten worden gedeponeerd in de archieven van het Europees Parlement, waar zij door elke afgevaardigde kunnen worden geraadpleegd. . Notulen van de vergadering van dinsdag 8 juli 1986 van het Europees Parlement Het Europese Parlement, - gelet op. - gezien de volgende documenten. - onder verwijzing naar zijn resoluties. - onder verwijzing naar de ontwerp-resoluties. 6. merkt voorts op dat - de wetgevingen inzake het familierecht, de ouderlijke macht, het huwelijksstelsel van scheiding of gemeenschap van goederen, echtscheiding en scheiding van tafel en bed, de erkenning en de positie van buitenechtelijke kinderen van lid-staat tot lid-staat verschillen emt alle consequenties vandien voor de positie van de alleenstaande ouder, - de rechterlijke uitspraken inzake de voogdij over de kinderen, ook al is er thans een zekere evolutie merkbaar, een afspiegeling vormen van stereotiepe denkbeelden over de rolverdeling tussen man en vrouw, met als gevolg dat de kinderen meestal aan de moeder worden toegewezen, - beide ouders, ook ingeval het huwelijk wordt ontbonden, de plicht zouden moeten hebben om voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen te zorgen, dat de kinderen recht hebben op verzorging door beide ouders, ook al zijn deze gescheiden en dat deze kinderen door de bevoegde instanties naar hun mening zouden moeten worden gevraagd wanneer er besluiten vallen die hen aangaan, zoals de keuze van de ouder aan wie het voogdijschap wordt verleend, het bezoekrecht van de ouders, enz.; 17. doet een beroep op de rechters in de lid-staten het welzijn van de kinderen voorop te plaatsen, vooral bij toewijzing van de kinderen, en daarbij geen der ouders te begunstigen; verzoekt hen voorts grondiger de mogelijkheden te bestuderen om beide ouders ook na de ontbinding van het huwelijk samen verantwoordelijk te doen blijven voor de opvoeding van de kinderen, met name door de ouders vaker gezamenlijk het voogdijschap te laten uitoefenen; 18. verzoekt de Commissie en de lid-staten, elk op eigen terrein, op grond van bovenstaande verzoeken de nodige maatregelen te treffen; 19. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lid-staten te doen toekomen. Klachtbehandeling door de Raad voor de Kinderbescherming Klachtbehandeling heeft zoals bekend twee doelen: mogelijkheid voor de organisatie waarover geklaagd wordt tot kwaliteitsverbetering, en herstel van gemaakte fouten. Herstel van gemaakte fouten Het voornaamste bezwaar tegen de klachtbehandeling door de Raad voor de Kinderbescherming is, dat ook een gegrondverklaarde klacht geen gevolg heeft voor de zaak van klager. Men is inmiddels maanden verder, de rechter heeft al een beslissing genomen op basis van een rapport waarover nu een gegrondverklaarde klacht bestaat: jammer dan. Dat klager de rechter op de feilen in het rapport zou kunnen wijzen is veelal een illusie: heel veel rechters gaan technocratisch te werk, verlaten zich blind op de rapportage van "de deskundigen". "Per 29 juni 1996 is een afzonderlijke algemene maatregel van bestuur (Stb. 1996, nr. 330, Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming) in werking getreden voor de afhandeling van klachten over het werk door de medewerkers van de raad voor de kinderbescherming. Inhoudelijk gezien lijkt de nieuwe klachtenregeling veel op de oorspronkelijke klachtprocedure, zoals deze was opgenomen in het oude Organisatiebesluit raden voor de kinderbescherming. Het grote verschil is dat de huidige klachtprocedure in een zelfstandig besluit is geregeld en dat artikel 1:239 lid 5 BW een wettelijke basis geeft, aldus de nota van toelichting. ... Een klacht is uitsluitend mogelijk indien het zich richt tot een gedraging van een medewerker van de raad voor de kinderbescherming, zoals deze gedraging is omschreven in artikel 1 Besluit. De staatssecretaris formuleert de gedraging aldus: "Het gaat om de bejegening (die zowel uit een handelen als uit een nalaten als ook uit het nemen van een beslissing kan bestaan) van de klager in persoon door een medewerker of door de ressortsdirecteur zelf." In de nota wordt duidelijk uiteen gezet dat een klacht zich slechts kan richten tot feitelijke beslissingen die plaatsvinden binnen de uitvoering van de taak van de raad voor de kinderbescherming. Expliciet wordt erbij vermeld dat in de klachtenprocedure niet kan worden geklaagd over de inhoud van een advies van de raad voor de kinderbescherming, aangezien dergelijke meningsverschillen uitsluitend door de rechter kunnen worden beslecht. Derhalve kan in een klachtenprocedure uitsluitend de wijze van totstandkoming van het advies aan de orde komen. Over de inhoud van een dergelijk advies kan niet worden geklaagd. Wel dient de rechter op de hoogte te worden gesteld van een klacht indien deze betrekking heeft op een verzoek of een advies die de raad voor de kinderbescherming bij de betreffende rechter heeft ingediend (zie art. 2 lid 4 Besluit). ... Vervolgens dient de directeur de klacht af te handelen binnen acht weken nadat de ontvangst van de klacht bij klager is bevestigd, aldus artikel 3 ld 4 Besluit. ... De externe fase van de procedure vangt aan indien klager het niet eens is met de beslissing van de directeur en conform artikel 4 Besluit een klacht indient bij een van de vijf klachtencommissies. ...(B. van den Berg; Deskundigheid in het geding, een vergelijkend onderzoek naar de inbreng van deskundigheid bij de administratieve en civiele rechter; 1999, proefschrift , pag. 80/81) "Het systeem" en de manier van doen bij de Raad voor de Kinderbescherming induceert klachtgedrag. Sommige directeuren herformuleren ingediende klachten. Dit lijkt op het eerste gezicht cliënt-vriendelijk (niet iedereen kan zijn gedachten goed op papier krijgen), onlangs heb ik echter meegemaakt dat een directeur klachten herformuleerde, schriftelijk ingediend door een voormalig universitair docent Deze vader heeft daar op 6 augustus 2000 over geschreven: "Naar mijn mening is het psychologisch onjuist om dit als gewone manier van doen te handhaven, omdat je al herformulerend, de klacht van iemand "afpakt". En daarnaast moet men zich als directeur ook nog afvragen waarmee men bezig is als elke klacht wordt geherformuleerd en opgesplitst in hapklare brokken die dan eenduidig aan een van de categorieën "gegrond", "niet-gegrond" of "niet ontvankelijk" worden toegevoegd." Mogelijkheid tot kwaliteitsverbetering De klachten zijn geen goede afspiegeling van de onvrede van cliënten. Ik citeer weer uit de brief van bovengenoemde vader: "Ik persoonlijk heb dus 3x iets tegen de Raad of tegen Raadsmedewerkers ondernomen in de vorm van een klacht (of eis). De momenten dat ik dat heb gedaan zijn steeds ingegeven door het feit dat ik meende dat een klacht nog enig effect zou kunnen hebben op zaken die werkelijk van belang waren. Ik probeerde de trein op zijn plaats te houden toen de Raad bij mijn ex aankondigde dat hij zou vertrekken, ik heb hem geprobeerd te laten stoppen toen hij al wegreed, en ik heb geëist toe te geven dat achteraf gezien de trein niet had moeten wegrijden dan wel dat hij op een ander spoor had moeten rijden. Ik heb in de loop van de tijd eerlijk gezegd veel meer onvrede gehad over het doen en laten van de Raad en Raadsmedewerkers dan uit mijn klachten naar voren komt. Deels heb ik die onvrede direct geuit en kwam het daarom niet tot een klacht. Andere zaken heb ik laten liggen omdat ik onvoldoende tijd had en pragmatischer moest denken. Maar bovenal, zoals ik al eerder heb opgemerkt, ik ben helemaal geen klager!" In de jaarlijkse klachtanalyse, gemaakt door het hoofdkantoor van de raad voor de kinderbescherming, ontbreekt, en zal ook voor het jaar 1999 (april 2001) weer ontbreken, een beschrijving van ongegronde en niet ontvankelijk verklaarde klachtonderdelen. Overigens: wat zijn klachtonderdelen? Het begrip 'klachtonderdeel' is een van de centrale begrippen in de analyse. Toch wordt nergens uitgelegd wat het is en hoe het tot stand komt. Mogelijkheden: 1. kleinste eenheid die nog kan worden beoordeeld (echter: sommige klachtonderdelen zijn gedeeltelijk gegrond verklaard, dat klopt dus niet) 2. onderdeel van de oorspronkelijke klacht die door de aangebrachte nummering wordt geïnduceerd 3. onderdeel van de oorspronkelijke ongenummerde klacht waarbij een nummering is aangebracht door de (adjunct-)directeur 4. onderdeel van de door de (adjunct-)directeur geherformuleerde klacht 5. onderdeel van de door de (adjunct-)directeur n.a.v. een klachtgesprek geformuleerde klacht. Zowel 2,3,4 als 5 komen voor, vermoedelijk met een neiging om aan het ideaal van 1. te voldoen. Omdat veel tabellen en overzichten in de analyse 'klachtonderdeel' als tel-eenheid gebruiken, is het van belang dat het gehanteerde begrip wordt ingeleid, ook om te kunnen beoordelen in hoeverre de klachtonderdelen gelijkwaardig zijn danwel dat "bessen en meloenen worden opgeteld". Deze vraag is dan ook legitiem zonder het verschijnsel van klachten met gigantisch veel klachtonderdelen. Uit de analyse is niet op te maken wat de relatie is tussen de klachtonderdelen bij de directie en (eventueel) die bij de klachtencommissie. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen: Worden de bij de directie reeds gegrond verklaarde klachtonderdelen soms ook nog weer aan de klachtencommissie voorgelegd? Dit was in ieder geval in 1997 soms het geval. Vormen (een aantal van) de oorspronkelijke klachtonderdelen en eventueel nog wat extra grieven tegen de handelwijze van de (adjunct-)directeur (toen hij de klacht in eerste aanleg beoordeelde) in principe samen het materiaal dat door de klachtencommissie wordt behandeld of kan men e.e.a. opnieuw formuleren zodat de indeling in klachtonderdelen mogelijk anders wordt? Het lijkt van belang dat ergens in de analyse hierover iets wordt gezegd. De conclusies die de Raad voor de Kinderbescherming zelf in zijn jaarlijks analyse trekt zijn uitsluitend getalsmatig. Het gaat er echter om verklaringen voor trends te vinden, voor kennelijke verschillen tussen ressorten. Een van de dingen die belangrijk zijn voor het vinden van verklaringen is o.a. het plaatsen van het klachtengebeuren in het juiste perspectief. Verschillen tussen ressorten (die ook blijven bestaan als men de gegevens ontdaan heeft van extreem uitgevallen klachten) zouden aanleiding kunnen zijn om "het land in te gaan" in een poging om e.e.a. te verklaren (verschil in cultuur, interpretatie van regels, hoe zit dat?). Dat kan dan leiden tot aanscherpen van richtlijnen bijvoorbeeld. Behalve verschillen tussen ressorten en verschillen tussen jaren in allerlei opzichten lijkt bijvoorbeeld ook eventuele discrepantie in beoordeling tussen directies en klachtencommissies (en ook tussen verschillende ressorten) interessant om op te sporen en indien nodig te verklaren. In hoeverre zijn er verschillen in beoordeling als dezelfde of soortgelijke klachtonderdelen worden beoordeeld? Om dat te kunnen onderzoeken is nodig dat niet alleen de gegrond verklaarde klachtonderdelen inhoudelijk worden uitgewerkt maar ook de niet gegrond verklaarde en de niet ontvankelijke. "Wanneer wordt een klachtonderdeel niet ontvankelijk verklaard?" (hoe formeel is men eigenlijk of hangt het ervan af?) is een andere vraag die kan worden beantwoord aan de hand van bedoelde uitgewerkte klachtonderdelen. Een klacht gegrond verklaard krijgen is niet simpel. Enkele voorbeelden: · Bij de behandeling van klacht nummer 19 in 1999 (concept-analyse raad voor de kinderbescherming) ben ikzelf aanwezig geweest. De analyse van de raad geeft weer: 1 klachtonderdeel gegrond, 6 klachtonderdelen ongegrond. Een van die ongegrond verklaarde klachtonderdelen was (niet uit de analyse op te maken dus, aangezien ongegrond verklaarde klachten niet beschreven worden): moeder heeft de stukken van de raad pas na de zitting bij de kinderrechter ontvangen. Tussen de zitting bij de kinderrechter en de behandeling bij de klachtencommissie was de oorzaak hiervan duidelijk geworden: twee cijfers in de postcode omgedraaid. De klachtencommissie verklaarde dit klachtonderdeel ongegrond. · Ouders van een weggelopen vijftienjarige dochter beklaagden zich bij de klachten- commissie dat er in het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de Raad voor de Kinderbescherming stond, dat de dochter zodanig opgroeide dat haar zedelijke of geestelijke belangen ernstig werden bedreigd. De ouders hadden een conflict met hun dochter gehad, reden waarom zij was weggelopen en bij haar vriendje in was getrokken, omdat zij onoverkomelijke bezwaren hadden tegen het drugs-circuit waarin de jongeman verkeerde. De ouders probeerden dus hun dochter te behoeden voor ernstige bedreiging van haar zedelijke of geestelijke belangen. Uit het verslag van de zitting van Klachtencommissie III Raad voor de Kinderbescherming (Directie Noord-West) op 25 juni 1998: "De heer V. zegt vervolgens dat in het rapport geen recht wordt gedaan aan hem en zijn vrouw. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van het rapport, waaruit hij opmaakt dat zij zijn afgeschilderd als slechte ouders. Het hele rapport is "toegeschreven" naar een dergelijke compromitterende conclusie: te weten, "de Raad komt op grond van het onderzoek tot de conclusie dat A. zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd." Een van de commissieleden merkt op dat deze zinsnede door "leken" vaak verkeerd wordt geïnterpreteerd: het is juridische taal. De woorden staan als zodanig in de wet genoemd als voorwaarde om tot een ots (ondertoezichtstelling) te komen." Toen de ouders daar toelichting op vroegen, is hun mondeling uitgelegd dat zij het inderdaad goed begrepen hadden: 'de conclusie dat een minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd' staat soms in raadsrapporten als deze uitspraak geen grondslag heeft in de feiten. De klachtencommissie had daar geen bezwaar tegen. Een brief d.d. 16 maart 1999 van het Platform SCJF hierover aan de Minister van Justitie lokte het antwoord uit dat het niet aan de Minister was een oordeel te hebben over wat een klachtencommissie raad voor de kinderbescherming deed. Alleen wanneer een lid van een klachtencommissie zijn taak ernstig verwaarloosde zou de Minister met deze klachtencommissie van doen hebben. Wij hebben toen maar niet gevraagd hoe dit de Minister zou kunnen blijken. In het kader van assistentie bij het indienen van klachten ben ik in een (1) zomer gestuit op het volgende: · Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over het verdraaien en blijven verdraaien van een beschikking van de kinderrechter door de raadsmedewerker, met als argument dat de medewerker iets wil bereiken waartoe hij bevoegd is. · Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over een onware opmerking in een rapport met als argument dat klaagster maar alerter had moeten reageren op het conceptrapport. · Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over een geheel ongemotiveerde overtuiging van de raadsmedewerker, met als argument dat onderzoekster de vrijheid heeft haar indrukken en overtuigingen te melden in de rapportage. · Een vestigingsdirecteur vindt het geen probleem dat een raadsonderzoeker zonder opgave van redenen weigert argumenten van een ouder in de rapportage op te nemen, die argumenten dus ook niet hoeft te weerleggen, maar zonder meer stelt dat de ouder iets niet juist ziet. Dit 'stellen' noemt de directeur 'concluderen'. · Een vestigingsdirecteur vindt het geen probleem dat een raadsonderzoeker de rechter in de rapportage informatie onthoudt die volgens de ouder essentieel is, ondanks aandringen van de ouder deze informatie een plaats in het rapport te geven. "Tot en met 1995 werden door het ministerie van Justitie overzichten van uitspraken van klachtencommissies gemaakt. De Raad zal over 1997 en 1996 zelf een inventarisatie maken van klachten van cliënten over het raadsoptreden. Daaruit zal een analyse volgen over vragen als: - waar klagen klagers over - zijn daar hoofdlijnen in te ontdekken - moeten daaruit eventueel beleidsaanpassingen voortvloeien. Het gaat hierbij om: - beslissingen door de directeuren van de Raad - beslissingen door de klachtencommissies - beslissingen van de Nationale Ombudsman" (uit de door de Raad gemaakte notulen van een gesprek in het kader van het structureel overleg van het Platform SCJF met de algemeen directeur van de Raad voor de Kinderbescherming op 19 januari 1998.) De praktijk is dus anders geworden. Nog op 27 december 2000 vond de Raad het niet zinnig ook andere dan gegrond verklaarde klachtonderdelen uit te schrijven. Wel deed de medewerker van het hoofdkantoor van de Raad voor de Kinderbescherming die belast is met de klachtanalyse de suggestie om klachten met meer dan 15 klachtonderdelen te weigeren. Het Platform SCJF heeft tijdens het gesprek op 19 januari 1998 gemeld, dat het Platform graag zou zien dat beslissingen m.b.t. klachten getoetst worden door een onafhankelijk onderzoek daarop uit te voeren. Op 24 april 1998 hebben wij nogmaals benadrukt dat wij de mening zijn toegedaan dat het opstellen van een analyse m.b.t. de klachten door een onafhankelijk onderzoeker zou moeten plaatsvinden. Op 25 november 1998 heeft de commissie familierecht van het Platform SCJF een brief geschreven aan de Minister van Justitie n.a.v. een zitting in hoger beroep van het gerechtshof te Arnhem. Een vader was "lokaalvredebreuk" ten laste gelegd omdat hij op 10 maart 1997 weigerde het politiebureau te Zwolle te verlaten zolang hij zijn voornemen, namelijk aangifte te doen tegen de Raad voor de Kinderbescherming, niet kon uitvoeren. Citaat uit deze brief: "N.a.v. de zaak ..., maar met name ook i.v.m. het feit dat de nationale ombudsman weigert om klachten over de Raad voor de Kinderbescherming in behandeling te nemen (klachten worden slechts intern afgehandeld) vragen wij ons af: Is de Raad voor de Kinderbescherming onaantastbaar/onschendbaar? De vraag stellen is haar beantwoorden. Ook op vraag 3 is het antwoord kennelijk "ja". Wij achten dit ongewenst. Zonder onafhankelijke klachtafhandeling, zonder mogelijkheid om aangifte te doen tegen de Raad, zullen allerlei misstanden echter veel langer blijven bestaan. Ook omdat de gebruikelijke introverte evaluaties van de Raad over haar functioneren bij lange na de onderste steen niet boven brengen, vrezen wij dat deze instelling nog lange tijd gekwalificeerd zal moeten worden als "niet van deze tijd". Wij vragen u dringend om bovenstaande zaken serieus te nemen en die maatregelen te treffen die tot verbetering leiden." Wij betreuren het dat zittingen van de klachtencommissies Raad voor de Kinderbescherming niet openbaar zijn. Op 16 maart 1999 hebben wij de Minister van Justitie verzocht te bepalen dat deze zittingen openbaar zouden zijn. Citaat: "In een brief, gedateerd 18 juli 1997 (641869/97/PJR), schrijft de toenmalig Staatssecretaris van Justitie: 'Openbaarheid. In het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming is hierover niets geregeld. Het ligt voor de hand in dezen aansluiting te zoeken bij het familie- en jeugdprocesrecht. Daartoe heb ik ook besloten. Dit impliceert dat er geen openbaarheid is, tenzij. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige en zijn familie staat hier voorop. In bepaalde omstandigheden kan het voorkomen dat de klager erop staat dat ... hem tijdens de zitting vergezelt of dat de pers aanwezig is. In dat geval zal de voorzitter van de klachtencommissie een afweging van de in het geding zijnde belangen maken en een beslissing terzake nemen. De voorzitter heeft hierin het laatste woord.' Inmiddels zijn de zittingen van de Medische Tuchtcolleges sinds 1 december 1997 niet alleen openbaar geworden, zij worden ook gespecificeerd aangekondigd. ... Nu er in de jeugdbescherming meer dan ooit tevoren aandacht is voor medezeggenschap, openheid, de vraag van de cliënt, ligt het wellicht in de rede niet langer aansluiting te zoeken bij het familie- en jeugdprocesrecht, maar bij deze gang van zaken. Om de persoonlijke levenssfeer te beschermen (...) zou het volstaan niet de voorzitter, maar de klager het laatste woord te geven. ..." Op 21 maart 2000 heeft de Minister geantwoord dat hij ons verzoek niet zal inwilligen. Hij schrijft o.a.: "Doel van het tuchtrecht is het belang van de samenleving bij een zorgvuldige beroepsuitoefening in de gezondheidszorg te dienen door de beoordeling hiervan in handen van een rechterlijk college te leggen. ... Het uitgangspunt bij een klachtregeling, zoals bij de Raad voor de Kinderbescherming, is het openen van de mogelijkheid voor de cliënt zijn of haar ontevredenheid over een gedraging door een raadsmedewerker te uiten en daarop een reactie te laten volgen. Gelet op de verschillende doelstellingen van de hierboven genoemde regelingen zie ik geen aanleiding mijn standpunt zoals verwoord in de brief van 18 juli 1997 te herzien. ..." ---------------------------------------------------------------------------- Opmerkingen bij de concept-analyse klachtbehandeling 1999 Wij citeren het mei-nummer van Perspectief (Mr. O.P.G. Vos): "Mijn indruk is dat de klachtenprocedure thans een mistig proces is. Er valt heel wat aan te verbeteren. In de eerste plaats valt op dat de afwikkeling van de klacht op besloten wijze plaats vindt. Als uitgangspunt zou openbaarheid dienen te gelden, behoudens bezwaren van betrokken ouder en kind. Aan de behandeling van de klacht wordt thans nauwelijks bekendheid gegeven. Een gevolg daarvan is dat de klacht moeilijk kan worden opgevat als een leermoment om gedrag en procedures te verbeteren. Bovendien zijn de huidige klachtenprocedures nogal bureaucratisch. Hierdoor worden ouders in een keurslijf gedwongen waardoor de afwikkeling niet op een ontspannen wijze kan plaats vinden. Wat er met de uitkomst van de klachtenprocedure gebeurt is ook onduidelijk." Weliswaar spreekt de heer Vos hier over de klachtenprocedure van de gvi's, maar volgens het Platform SCJF zijn deze opmerkingen ook volledig van toepassing op de klachtenprocedure Raad voor de Kinderbescherming. Verheugend is aanbeveling 3 op pag. 7: "...de analyse verbreden tot alle bij de ressorten ingediende klachten, ongeacht de wijze van afdoening." Is het niet mogelijk hiermee te beginnen bij de analyse 2000? Blijkens pag. 3 wordt door de directies en de klachtencommissies resp. 52% en 62% van de klachten niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard. Is het niet jammer nog 2 jaar over het grootste deel van de klachten niets te weten, behalve dat ze niet gegrond zijn verklaard? Voor 1999 is het volkomen onduidelijk wanneer een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Wat is de effectiviteit van het klachtrecht? Is het voor ouders de moeite waard om te klagen? Op 23 mei jl. zei een kinderrechter dat hij de beslissing over verlenging uithuisplaatsing aanhield omdat de moeder een klacht had ingediend bij de directeur en de raad daarop uitstel van 3 maanden had gevraagd. Dat kind blijft dus in ieder geval weer 3 maanden uit huis geplaatst. In Bijlage 3 vinden wij de "Gevolgen van in 1999 (gedeeltelijk) gegrondverklaarde klachten". Bij het Platform SCJF leeft nog steeds de wens de reacties van de directies te kunnen lezen wanneer het door klachtencommissies gegrond verklaarde klachten betreft. Wij achten het bovendien onacceptabel dat een rapport niet wordt aangepast als een klacht gegrond is verklaard. De praktijk is nu soms dat een klager niets hoort, of hoort dat de gegrondverklaring geen gevolgen zal hebben. Om de heer Vos te citeren: "De uitspraak ... zou ten minste het karakter van een bindend advies behoren te krijgen." Wij zouden ons ook kunnen voorstellen dat alleen afgeweken kan worden van dat advies met toestemming van de inspectie of de rechter. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- Enkele kanttekeningen n.a.v. de onvolledige[1] concept-analyse klachtbehandeling 1999 I. Andere betrokken doelgroepen voor de analyse klachtafhandeling dan Tweede Kamer: 1. Raadsmedewerkers 2. De acteurs bij de klachtafhandeling ((adjunct-)directeuren, klachtencommissies) 3. Cliënten (rechtzoekenden) en cliëntenorganisaties (organisaties van rechtzoekenden) 4. klagers en a.s. klagers. Stelling Bij de keuze van onderwerpen en de vaststelling van de tekst van de analyse is het van belang dat men zich in ieder geval afzonderlijk verplaatst in de belangen en doelstellingen van alle verschillende erbij betrokken groepen en geledingen II. Het begrip "klachtonderdeel" is een van de centrale begrippen in de analyse. Toch wordt nergens uitgelegd wat het is en hoe het tot stand komt. Mogelijkheden: 1. kleinste eenheid die kan nog worden beoordeeld (echter: sommige k.o. zijn gedeeltelijk gegrond verklaard, dat klopt dus dan niet) 2. onderdeel van de oorspronkelijke klacht die door de aangebrachte nummering wordt geïnduceerd 3. onderdeel van de oorspronkelijke ongenummerde klacht waarbij een nummering is aangebracht door de (adjunct-)directeur 4. onderdeel van de door de (adjunct-)directeur geherformuleerde klacht 5. onderdeel van de door de (adjunct-)directeur n.a.v. een klachtgesprek geformuleerde klacht Voorzover ik weet komen zowel 2,3,4 en 5 voor, naar ik aanneem met een neiging om aan het ideaal van 1. te voldoen. Omdat veel tabellen en overzichten in de analyse k.o. als tel-eenheid gebruiken, is het van belang dat het gehanteerde begrip wordt ingeleid ook om te kunnen beoordelen in hoeverre de k.o.'s gelijkwaardig zijn danwel dat "bessen en meloenen worden opgeteld". Deze vraag is ook legitiem zonder het verschijnsel van klachten met gigantisch veel k.o.'s. III. In bijlage 1 over uitspraken van directies en klachtencommissies is het niet helder hoe de gang van zaken is m.b.t. de te beoordelen klachtonderdelen. Wat is de relatie tussen de klachtonderdelen bij de directie en (eventueel) die bij de klachtencommissie? Bijv. n.a.v. de entries 1 en 16 in betreffende tabel zou men zich af kunnen vragen: 1. Worden de bij de directie reeds gegrond verklaarde klachtenonderdelen soms ook nog weer aan de klachtencommissie voorgelegd? (was vroeger (1997) soms wel het geval) 2. Vormen (een aantal van) de oorspronkelijke klachtonderdelen en eventueel nog wat extra grieven tegen de handelwijze van de (adjunct-)directeur (toen hij de klacht in eerste aanleg beoordeelde) in principe samen het materiaal dat door de klachtencommissie wordt behandeld of kan men e.e.a. opnieuw formuleren zodat de indeling in klachtonderdelen mogelijk anders wordt? Het lijkt me van belang dat ergens in de analyse hierover iets wordt gezegd. IV. Ad A Enige resultaten van onderzoek 1. Niet in beschouwing wordt genomen het totaal aantal zaken dat is behandeld (eventueel van een bepaalde soort: ressort, soort zaak). Men moet toch ook weten hoeveel er in verhouding wordt geklaagd? De bron kan dan natuurlijk niet uitsluitend tabel 1 zijn. 2. bij 3e paragraaf heeft de onderscheiding wel/niet medewerker van (cliëntenorganisaties) niet zoveel betekenis als dat niet steeds expliciet aan de begeleid(st)er wordt gevraagd V. Ad B Analyse van onderzoeksresultaten 1. Daarbij zou ook moeten worden betrokken aan het totaal aantal zaken dat is behandeld (eventueel van een bepaalde soort: ressort, soort zaak). Dus in breder perspectief zien. 2. Trendonderzoek beperkt zich tot vergelijking met 1998, terwijl er (afgezien van 1996) meer jaren geanalyseerd zijn en er dus zo mogelijk ook bij moeten worden betrokken VI. Ad C Conclusies 1. Deze zijn uitsluitend getalsmatig. Het gaat erom verklaringen voor trends te vinden, voor kennelijke verschillen tussen ressorten. Een van de dingen die belangrijk zijn voor het vinden van verklaringen is o.a. het plaatsen van het klachtengebeuren in het juiste perspectief (zie bijv. IV.1 en V.1). Verschillen tussen ressorten (die ook blijven bestaan als men de gegevens ontdaan heeft van extreem uitgevallen klachten) zouden aanleiding kunnen zijn om "het land in te gaan" in een poging om e.e.a te verklaren (verschil in cultuur, interpretatie van regels, hoe zit dat?). Dat kan dan leiden tot aanscherpen van richtlijnen, het uitschrijven van een extra LMTema-dag, etc.. 2. Behalve verschillen tussen ressorten en verschillen tussen jaren in allerlei opzichten lijkt bijv. ook eventuele discrepantie in beoordeling tussen directies en klachtencommissie (en ook tussen verschillende ressorten) interessant om op te sporen en indien nodig te verklaren. In hoeverre zijn er verschillen in beoordeling als dezelfde of soortgelijke klachtonderdelen worden beoordeeld? Om dat te kunnen onderzoeken is nodig dat niet alleen de gegrond verklaarde klachtonderdelen inhoudelijk worden uitgewerkt maar ook de niet gegrond verklaarde en de niet ontvankelijke. Zie elders voor een pleidooi. "Wanneer wordt een klachtonderdeel niet ontvankelijk verklaard?" (hoe formeel is men eigenlijk of hangt het ervan af?) is een andere vraag die kan worden beantwoord aan de hand van bedoelde uitgewerkte klachtonderdelen. VII. Ad D Aanbevelingen 1. Dat lijkt een aanbeveling niet gevolgd kan worden. Iemand heeft de vrijheid om te klagen zoveel hij wil en dat is niet ineens anders in een samenleving waarin haast iedereen de beschikking heeft over een tekstverwerker. 2. Dat lijkt me een zinnige aanbeveling. Hij is echter niet gerelateerd aan enige conclusie bij C (dat komt ervan als men niets probeert te verklaren) 3. Prachtig, maar niet gerelateerd aan enige conclusie bij C VIII. In aansluiting op III zou ik ervoor willen pleiten dat de vijfde kolom van de tabel bij bijlage 1 als volgt wordt aangepast voor die gevallen dat de klacht de klachtencommissie haalt: Voor klacht nr. 1 zou er kunnen staan: 101/99 +10 , als dit tenminste klopt. Het zou betekenen: Bij de directie sprake was van 101 klachtonderdelen, 99 van die 101 klachtonderdelen zijn voorgelegd aan de klachtencommissie en tenslotte 10 onderdelen zijn er bij gekomen die verband houden met de klachtafhandeling van de directeur in deze klachtzaak. Met vriendelijke groeten, Ipe Smit 18 december 2000 [1] Klachten Noord-West waren nog niet verwerkt; hoofdstuk over de gevolgen van (gedeeltelijk) gegrond verklaarde klachten en een hoofdstuk met gegrondverklaarde klachtonderdelen per cluster; daarnaast missen beschrijvingen van niet-gegrond en niet ontvankelijk verklaarde klachtonderdelen (tot nu toe was dit laatste weliswaar niet gebruikelijk, echter al jaren vinden we dat het niet opnemen van beschrijvingen van andere dan gegrond-verklaarde klachtonderdelen maakt dat een analyse klachtafhandeling incompleet is) ----------------------------------------------------------------------------- Aan de leden van het LMT van de Raad voor de Kinderbescherming, andere mensen die uit hoofde van hun functie op de LMT-bijeenkomsten aanwezig plegen te zijn en tenslotte de gasten van LMThemadag van 6 juni 2000 Betreft: Aanvulling op inleiding van IHS alsmede op het verslag van de LMThema-dag van 6 juni jl. in Assen L.S., Met toestemming van de heer Nijhof stuur ik een aanvulling op de inleiding die ik als "klager" heb gehouden. Enerzijds gaat het om zaken die bij mij opkwamen toen ik die dag naar huis reisde en die naar mijn overtuiging de moeite waard zijn om u te laten weten. Anderzijds gaat het ook om zaken die blijkens het verslag misschien toch niet helemaal zijn overgekomen, dan wel tot enig misverstand hebben geleid. Ook al had ik bij de voorbereiding op mijn inleiding wel zaken op papier gezet, ik heb er op 6 juni jl. toch voor gekozen om mijn verhaal "uit het hoofd" te doen. Dit heb ik voornamelijk gedaan in een poging de mens achter de klager te laten zien. Ik ben bepaald niet het type van een klager; hopelijk is daar iets van overgekomen. Misschien vind ik dat nog wel belangrijker dan dat u de details van mijn klachten zou kennen. Het gaat daarbij uiteraard niet om mijn persoonlijke geval. Ik beweer dat in vele gevallen het "systeem" en de manier van doen bij de Raad klachtgedrag induceert. Aan de door mij gekozen benadering kleeft natuurlijk een bezwaar. Een ingewikkeld verhaal als het mijne wordt door zo'n benadering toch minder overzichtelijk. Voor de toehoorder wordt de kans op het missen van essentiële details groter en het wordt moeilijker om de totale case te begrijpen. Daarnaast het non-verbale deel van mijn voordracht niet goed aan papier toe te vertrouwen, waardoor dat gedeelte van mijn bijdrage niet direct beschikbaar is voor derden (bijv. leden van het LMT die op 6 juni niet aanwezig waren). Ik geef nu puntsgewijs de voor mij belangrijke aanvullingen op het verslag van d.d. 20 juli jl.. Hier en daar begeef ik me toch enigszins in detail, ook om het absurde van onze case nog eens duidelijk neer te zetten. 1. N.a.v. de tekst van het verslag (afgezien van PAR-onderzoek en bij RvdK ingediende klachten) Ik ben bij de Raad terechtgekomen omdat bij ex wegliep met mijn dochter van 3 jaar en 4 maanden, het eenhoofdig ouderlijk gezag (toen: voogdij) claimde en tegelijkertijd mij van incest beschuldigde Ondanks het feit dat mijn ex en ik niet waren gehuwd hadden we op dat moment (zie a) het gezamenlijk gezag over mijn dochter. Nadat een psycholoog van het WKJ te Utrecht zonder mij te horen een rapport afscheidde waarin hij mijn ex aanraadde na te streven dat mijn dochter en ik elkaar bijv. een jaar niet moesten zien, kreeg mijn ex via een kortgeding gedaan dat zij de voorlopige voorziening kreeg en ik een contactverbod van een jaar. Sindsdien (dat was oktober 1995) loop ik achter de feiten aan. Sinds mijn dochter en ik van elkaar zijn gescheiden (betreft een periode van 5 jaar en 2 maanden) hebben we elkaar precies 10 x gezien, per keer niet meer dan 1 a 1,5 uur en dan nog onder begeleiding en in het gebouw van een instantie (deskundigenbureau, RvdK, gezinsvoogdij-instelling). Er is een periode van 2 jaar geweest dat we elkaar helemaal niet hebben gezien. De laatste 5 ontmoetingen waren dit jaar. Het is een wonder dat onze band nog zo goed is. In ieder geval zijn onze ontmoetingen voor ons beiden steeds weer een feest, zoals alle begeleiders ook hebben geconstateerd. De omgangsregeling heeft thans een frequentie van 1,5 uur in de 4 weken. Zij was niet tot stand gekomen als ik niet een kortgeding had aangespannen om een uitspraak van de kantonrechter geëffectueerd te krijgen. Thans zit mijn ex tijdens onze ontmoetingen steeds aan de andere kant van de toegangsdeur van de ontmoetingsruimte als het ware om "de bewaker te bewaken". Dat er geen enkele beweging in de houding van mijn ex is te krijgen, heeft ook het ABJ geconstateerd tijdens een begin dit jaar begeleide omgangsregeling. In het dorp waar ik woonde, en nog steeds woon (zelfs in dezelfde straat) is die incestbeschuldiging nooit serieus genomen, ook al gooide ik het hele verhaal van de aangifte wegens incest vanaf het eerste moment op straat: mijn manier van overleven. Bij de instanties lag dat een stuk moeilijker. Pas enkele maanden geleden ben ik door een ABJ-rapport volledig gerehabiliteerd. Vooral ook door uitspraken van mijn ex dat ze onder "incest" in mijn geval eigenlijk meer "geestelijke incest" bedoelde. Jammer nu weer dat de RvdK geen tijd zegt te hebben om het ABJ-rapport te lezen. Maar ja, je kan niet alles hebben. 2. N.a.v. de tekst van het verslag ( PAR-onderzoek en bij RvdK ingediende klachten) Nadat mijn ex het eenhoofdig ouderlijk gezag opeiste, zag ik mij genoodzaakt daartegen in verweer te komen. Ik vond dat als er sprake zou moeten zijn eenhoofdig gezag ik dat dan zou moeten krijgen, temeer daar de incestkwestie intussen was geseponeerd. Ik meen anno 2000 dat er in zo'n situatie helemaal geen onderzoek zou moeten zijn. Het Salomonsoordeel had moeten inhouden dat ik meteen het ouderlijk gezag zou krijgen omdat de moeder mij probeerde uit te sluiten uit het ouderlijk gezag. Het aan de claim van de moeder toegeven betekent de facto in vele gevallen immers dat het kind een ouder wordt ontnomen? Er werd indertijd echter wel onderzoek verricht. Het bijzondere in onze zaak was dat het onderzoek niet door de Raad zelf werd gedaan, maar werd uitbesteed aan een extern deskundigenbureau, het PAR. De Raad had slechts de bevindingen van het PAR te vertalen in een Raadsrapport. Het PAR deed medio 1996 onderzoek, als dat tenminste zo genoemd kan worden. Uit het verslag bleek niet dat men er veel van begreep, daarnaast waren de gebruikte onderzoeksmethoden ten hemel schreiend. Ik ben er zeker van dat in het PAR-rapport de gedragswetenschappen werden misbruikt om gewoon aan te kunnen sluiten bij de ontstane gevestigde orde (rapport WKZ, beschikking kortgedingrechter met betrekking tot contactverbod en voorlopige voorziening) en om te "bewijzen" dat datgene goed was, namelijk wat de RvdK hoog in het vaandel heeft staan, namelijk het handhaven van de status quo. (op een later tijdstip heeft een Raadsmedewerker mij ook toegegeven dat het hele PAR-onderzoek "poppenkast" was). Na het uitkomen van het PAR-rapport heb ik ogenblikkelijk een klacht ingediend tegen de psychiater bij het MTC en heb ik een interne klachtenprocedure opgestart. Van deze laatste procedure verwachtte ik in eerste instantie dat ik mijn bezwaren tegen de psycholoog en de pedagoog uit het team zodanig zou kunnen toelichten dat het rapport zou worden ingetrokken. De Raad besloot in die situatie de klachtprocedures af te wachten alvorens een Raadsadvies af te scheiden. Na maanden werd het mij duidelijk dat de meneer die de interne klacht behandelde (directeur Rijnhove) weinig anders deed mij aan het lijntje houden. Ik heb toen zo snel mogelijk klachten tegen de psycholoog (NIP) en de pedagoog (NVO) ingediend. De Raad meende niet verder te kunnen wachten. Zonder met mij te overleggen over de ontstane situatie heeft de Raad met de moeder afspraken gemaakt die bij haar de verwachting wekten dat het Raadsrapport er zat aan te komen. Men verbrak eenzijdig een afspraak. Deze actie was aanleiding om mijn eerste klacht bij de Raad in te dienen (KLACHT 1). Mijn klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard en er werd door de directeur (Theunissen) bepaald dat er een heroverweging zou plaatsvinden. Toen ik later voor een gesprek werd uitgenodigd door een Raadsonderzoeker, was ik in de veronderstelling dat de heroverweging alsnog zou plaatsvinden en dat ik daar op zijn minst ook enige invloed op zou kunnen uitoefenen. Dat alles bleek niet het geval. De heroverweging had al (volkomen onzichtbaar voor mij) plaatsgevonden. De Raadsmedewerker legde mij daarentegen de eindvisie van de Raad voor. In het Raadsrapport dat direct daarna (najaar 1997) uitkwam stond vreemd genoeg dat de Raadsmedewerker mij in dat gesprek een ultiem voorstel had gedaan en een uiterlijke termijn had genoemd dat de Raad zou willen wachten op mijn klachtprocedures tegen het PAR. Dat voorstel is echter in het geheel niet gedaan. Ik heb toen gemeend over de gang van zaken opnieuw een klacht bij de Raad te moeten indienen (KLACHT 2). Weliswaar werd ook deze klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Echter, de trein, die m.i. ten onrechte en in ieder geval niet op de afgesproken manier aan het rijden was gebracht, denderde voort. Na afloop van alle klachtprocedures bij het PAR, was het resultaat tegen de psychiater en de psycholoog schamel (ik vind zeer ten onrechte), maar in de klachtprocedure tegen de pedagoog, werd ik volledig in het gelijk gesteld. Omdat de eindconclusies van het PAR-rapport zwaar op het waarnemingen van de pedagoog (kind-ouder-interactie-observaties) leunde, meende ik dat het PAR-rapport inhoudelijk niet te handhaven was. Met een beroep op de AWB heb ik geëist dat de Raad het PAR-rapport zou terughalen van iedereen die dit stuk toegestuurd had gekregen en vervolgens deze exemplaren zou vernietigen (KLACHT 3). Het bleek dat het PAR-rapport niet goed vernietigd kon worden omdat het onderwerp was geweest van een rechtszitting. Vervolgens heb ik mijn eis om vernietiging verruild voor de eis dat de Raad dan maar expliciet zou dienen te verklaren dat het PAR-rapport inhoudelijk niet deugde en ten tijde van het uitkomen niet had gedeugd. Het heeft verscheiden maanden geduurd voordat de heer Theunissen mij in mijn eis goeddeels tegemoet kwam en verklaarde dat hij vond dat er achteraf vraagtekens moesten worden gezet bij de inhoudelijke geldigheid van het rapport. Al met al heb er ongeveer 3 jaar over gedaan om het onzalige PAR-rapport te neutraliseren. Echter, wat heet neutraliseren. Tot zover wat aanvullingen op mijn inleiding en datgene wat daarover in het verslag terecht is gekomen. Het is wat meer geworden dan aanvankelijk de bedoeling was. In punten 3 en 4 hieronder geef ik nog enkele beschouwingen die van nut kunnen zijn bij het nadenken over de klachtafhandeling bij de Raad 3. Tijdens een discussie op de themadag werd mij gevraagd waarom ik met mijn klachten niet was doorgegaan naar de klachtencommissie. Ik heb o.a. gezegd dat er bij een van klachten (zelfs afgezien van niet-gegrond verklaarde klachtonderdelen) eigenlijk voldoende reden voor was, maar dat ik toch niet naar de klachtencommissie was gegaan omdat in de beslissing die op mijn klacht volgde ook een bemiddelingsvoorstel besloten lag. Ik had het gevoel dat ik de bemiddelingspoging zou afslaan, als ik in hoger beroep zou gaan. Later (op 6 juni, terug naar huis) heb ik gedacht dat er voor mij duidelijk ook nog een andere reden is geweest om niet naar de klachtencommissie te gaan. Dat is namelijk het feit dat mijn in eerste aanleg schriftelijk geformuleerde klachten door de directeur (i.c. Theunissen) werden geherformuleerd, alvorens te worden beoordeeld. Bij het in hoger beroep gaan zou ik dus met de (niet door mij geformuleerde) niet-gegrond verklaarde klachtonderdelen onder de aandacht van die commissie moeten brengen. Dat doe je toch niet zo gemakkelijk. Ook al lijkt het in eerste instantie heel cliëntvriendelijk om je als directeur zo op te stellen, ik denk dat met dat herformuleren heel voorzichtig moet worden omgegaan en dat dit slechts moet worden aangeboden als het niet anders kan. Naar mijn mening is het psychologisch onjuist om dit als gewone manier van doen te handhaven, omdat je al herformulerend, de klacht van iemand "afpakt". En daarnaast moet men zich als directeur ook nog afvragen waarmee men bezig is als elke klacht wordt geherformuleerd en opgesplitst in hapklare brokken die dan eenduidig aan een van de categorieën "gegrond", "niet-gegrond" of "niet ontvankelijk" worden toegevoegd? 4. Bovenstaande (bij 3) zou als tegenwerping kunnen worden gebruikt als bijv. de LMT al te stellig beweert dat de klachtafhandeling een goed inzicht geeft in datgene wat er aan onvrede leeft bij de cliënten van de Raad. Ik wil nog een andere tegenwerping maken tegen de opvatting dat de klachten een goede afspiegeling zouden zijn van de onvrede van cliënten. Ik refereer even aan mijn eigen verhaal (boven). Ik persoonlijk heb dus 3 x iets tegen de Raad of tegen Raadsmedewerkers ondernomen in de vorm van een klacht (of eis). De momenten dat ik dat heb gedaan zijn steeds ingegeven door het feit dat ik meende dat een klacht nog enig effect zou kunnen hebben op zaken die werkelijk van belang waren. Ik probeerde de trein op zijn plaats te houden toen de Raad bij mijn ex aankondigde dat hij zou vertrekken, ik heb hem geprobeerd te laten stoppen toen hij al wegreed, en ik heb geëist toe te geven dat achteraf gezien de trein niet had moeten wegrijden dan wel dat op hij op een ander spoor had moeten rijden. Ik heb in de loop van de tijd eerlijk gezegd veel meer onvrede gehad over het doen en laten van de Raad en Raadsmedewerkers dan uit mijn klachten naar voren komt. Deels heb ik die onvrede direct geuit en kwam het daarom niet tot een klacht. Andere zaken heb laten liggen omdat ik onvoldoende tijd had en pragmatisch moest denken. Maar bovenal, zoals ik al eerder heb opgemerkt, ik ben helemaal geen klager!!! 6 augustus 2000 IHS ----------------------------------------------------------------------------- Aan Zijne Excellentie Mr. A.H. Korthals, Minister van Justitie. Haarlem, 16 maart 1999 Excellentie, Uit het verslag van de zitting van Klachtencommissie III Raad voor de Kinderbescherming (Directie Noord-West) op 25 juni 1998 citeren wij: "De heer V. zegt vervolgens dat in het rapport geen recht wordt gedaan aan hem en zijn vrouw. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van het rapport, waaruit hij opmaakt dat zij zijn afgeschilderd als slechte ouders. Het hele rapport is "toegeschreven" naar een dergelijke, compromitterende conclusie: te weten, "de Raad komt op grond van het onderzoek tot de conclusie dat Amber zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd." Een van de commissieleden merkt op dat deze zinsnede door "leken" vaak verkeerd wordt geïnterpreteerd: het is juridische taal. Deze woorden staan als zodanig in de wet genoemd als voorwaarde om tot een ots (ondertoezichtstelling) te komen." Toen de heer en mevrouw V. daar toelichting op vroegen, is hun mondeling uitgelegd dat zij het inderdaad goed begrepen hadden: 'de conclusie dat een minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd' staat soms in raadsrapporten als deze uitspraak geen grondslag in de feiten vindt. De klachtencommissie had daar geen bezwaar tegen. Wij verzoeken u ons te laten weten wat uw opinie is over dit standpunt van de klachtencommissie, en welke consequenties u hieraan zult verbinden. Met gevoelens van hoogachting, (Drs. T.P. Barendse-Cornelissen, vice-voorzitter) Bijlage: verslag van de zitting Klachtencommissie III RvdK, 25 juni 1998 In copie aan de heer en mevrouw V. te A. ------------------------------------------------------------------------ Faxbericht Aan Mr. A.H. Korthals cc: de Volkskrant Minister van Justitie Fax 070-3707937 Onderwerp: Vervolgingsbeleid; Positie Raad voor de Kinderbescherming Kamerik, 25 november 1998 Geachte heer Korthals, Namens de Cie. Familierecht van het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht, ben ik zo vrij het volgende onder uw aandacht te brengen. De heer Joep Zander (een zeer constructief lid van onze Cie.) zal a.s. vrijdag, 27 november 1998 in hoger beroep voorkomen in het gerechtshof te Arnhem. Hem is "lokaalvredebreuk" ten laste gelegd omdat hij op 10 maart 1997 weigerde het politiebureau te Zwolle te verlaten, zolang hij zijn voornemen, namelijk om aangifte te doen tegen de Raad voor de Kinderbescherming, niet kon uitvoeren. Naar aanleiding van dit feit hebben we enkele principiële vragen: 1. Mag de politie/hulp-officier van justitie aan aangifte weigeren, en op die manier tot niet-vervolgen besluiten zonder de betrokkene te hebben gehoord? 2. Mag iemand worden vervolgd als hij/zij met een zekere hardnekkigheid aangifte probeert te doen? M.a.w., mag de hulpofficier van justitie (in sommige gevallen) een poging tot aangifte als boemerang laten werken? N.a.v. de zaak Joep Zander, maar met name ook i.v.m. het feit dat de nationale ombudsman weigert om klachten over de Raad voor de Kinderbescherming in behandeling te nemen (klachten worden slechts intern afgehandeld) vragen we ons af: 3. Is de Raad voor de Kinderbescherming onaantastbaar / onschendbaar? De vraag stellen is haar beantwoorden. Ook op vraag 3 is het antwoord kennelijk "ja". We achten dit ongewenst. Zonder onafhankelijke klachtafhandeling, zonder mogelijkheid om aangifte te doen tegen de Raad, zullen allerlei misstanden echter veel langer blijven bestaan. Ook omdat de gebruikelijke introverte evaluaties van de Raad over haar functioneren bij lange na de onderste steen niet boven brengen, vrezen wij dat deze instelling nog lange tijd gekwalificeerd zal moeten worden als "niet van deze tijd". Wij vragen u dringend om bovenstaande zaken serieus te nemen en die maatregelen te treffen die tot verbetering leiden. Met vriendelijke groeten, Ipe Smit Aan de Raad voor de Kinderbescherming t.a.v. Mr. A. Hoogervorst Utrecht, 6 juni 2001 Geachte Heer Hoogervorst, Aangezien de analyse klachtbehandeling 1999 inmiddels door het LMT is vastgesteld, is het nauwelijks zinvol dat het Platform SCJF er nog aandacht aan besteedt. Wij zouden kunnen verwijzen naar het commentaar dat drs I.H. Smit gegeven heeft op de analyse 1998: de analyse 1999 lijkt op dezelfde manier uitgevoerd. Op 27 december 2000 hebt u telefonisch contact gehad met de heer Smit: U hebt hem toen gezegd dat binnenkort de volledige klachten openbaar moesten worden en de clienten aan de hand daarvan zelf zouden kunnen inventariseren. Betekent dit, dat de hele stapel ingediende klachten in te zien is? Uw aanbeveling, dat klachten met meer dan 15 klachtonderdelen geweigerd zouden kunnen worden, is niet overgenomen door het LMT op 19 december. Ik neem ook aan, dat het eigenlijk een grapje was?! Wij zijn blij met de aanbevelingen op pagina 7. In aanbeveling 1 lezen wij: "De mededeling kan dus ook inhouden, dat geen gevolgen aan de gegrondverklaring worden verbonden, maar dit moet dan wel gemotiveerd worden." Wij zouden ons kunnen voorstellen dat alleen geen gevolg wordt verbonden aan een gegrondverklaring met toestemming van de Inspectie of het Ministerie van Justitie. Krijgt de betrokken klachtencommissie mededeling van de gevolgen van de gegrondverklaarde klacht? Uit de analyse is niet op te maken of en zo ja welk verband er is tussen niet-ontvankelijk/ongegrond verklaarde klachtonderdelen en wel gegrond verklaarde klachten. Het zou hoogst belangrijk zijn de reacties van de directies op gegrondverklaring te vermelden. Enigszins teleurstellend is het, dat de analyse klachtbehandeling over 2002 verbreed wordt, en niet al over 2001 of 2000. Zoveel wordt ongegrond verklaard, dat dit toch eigenlijk niet uitgesteld kan worden. Is het niet jammer nog 2 jaar over het grootste deel van de klachten niets te weten, behalve dat ze niet gegrond zijn verklaard? Wat is de effectiviteit van het klachtrecht? Is het voor ouders de moeite waard om te klagen? Op 23 mei jl. zei een kinderrechter dat hij de beslissing over verlenging uithuisplaatsing aanhield, omdat de moeder een klacht had ingediend bij de directeur en de raad daarop uitstel van 3 maanden had gevraagd. Dat kind blijft dus in ieder geval weer 3 maanden uit huis geplaatst. Overigens citeren wij met instemming de woorden van mr. O.P.G. Vos in het mei-nummer van Perspectief: "In de eerste plaats valt op dat de afwikkeling van de klacht op besloten wijze plaats vindt. Als uitgangspunt zou openbaarheid dienen te gelden, behoudens bezwaren van betrokken ouder en kind. Aan de behandeling van de klacht wordt nauwelijks bekendheid gegeven. Een gevolg daarvan is dat de klacht moeilijk kan worden opgevat als een leermoment om gedrag en procedures te verbeteren. ... Wat er met de uitkomst van de klachtenprocedure gebeurt is ook onduidelijk." Weliswaar spreekt de heer Vos over de klachtenprocedure van de gvi's, maar volgens het Platform SCJF zijn deze opmerkingen ook volledig van toepassing op de klachtenprocedure Raad voor de Kinderbescherming. Met vriendelijke groet, |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||